Art. 594 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. De methode van de waardesleutel wordt toegepast in alle gevallen waarin de artikelen 592 en 593 niet kunnen worden toegepast. Ter vereenvoudiging kunnen de douaneautoriteiten echter, met instemming van de vergunninghouder, in plaats van de methode van de waardesleutel de methode van de hoeveelheidssleutel (invoergoederen) toepassen indien de toepassing van deze methoden vergelijkbare resultaten oplevert.
2. Om de hoeveelheid invoergoederen die bij de vervaardiging van elke soort veredelingsprodukt is gebruikt, te bepalen, wordt achtereenvolgens op de totale hoeveelheid invoergoederen een coëfficiënt toegepast die de verhouding weergeeft tussen de overeenkomstig lid 3 berekende waarde van elk van de veredelingsprodukten en de totale waarde van deze produkten.
3. Overeenkomstig artikel 36, lid 1, van het Wetboek is de waarde van elk veredelingsprodukt die voor toepassing van de waardesleutel in aanmerking wordt genomen:
- de recente verkoopprijs in de Gemeenschap van identieke of soortgelijke produkten, voor zover deze niet is beïnvloed door de verbondenheid van de koper met de verkoper of indien een dergelijke prijs niet bekend is,
- de recente verkoopprijs "af fabriek" in de Gemeenschap, voor zover deze niet is beïnvloed door de verbondenheid van de koper met de verkoper.
Indien de waarde niet overeenkomstig de voorgaande alinea kan worden bepaald, wordt zij met alle redelijke middelen door het controlekantoor vastgesteld.
4. De hoeveelheid invoergoederen die overeenstemt met de hoeveelheid veredelingsprodukten waarvoor een douaneschuld is ontstaan, wordt vastgesteld door op de overeenkomstig lid 2 berekende hoeveelheid invoergoederen die bij de vervaardiging van deze produkten is gebruikt de overeenkomstig artikel 592 berekende coëfficiënt toe te passen.
d) Zuiveringsafrekening