Art. 589 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Het ontstaan van een douaneschuld voor veredelingsprodukten of onveredelde goederen geeft aanleiding tot de betaling van compenserende interesten over het bedrag van de verschuldigde rechten bij invoer.
2. Lid 1 is niet van toepassing:
- bij het ontstaan van een douaneschuld uit hoofde van artikel 216 van het Wetboek;
- bij het in het vrije verkeer brengen van resten en afvallen die bij een in artikel 182 van het Wetboek bedoelde vernietiging zijn ontstaan;
- bij het in het vrije verkeer brengen van de in bijlage 79 genoemde bijkomende veredelingsprodukten voor zover de hoeveelheden daarvan evenredig zijn aan het uitgevoerde gedeelte van de hoofdveredelingsprodukten;
- wanneer het bedrag aan compenserende interesten dat overeenkomstig lid 4 is berekend, niet meer bedraagt dan 20 ecu per aangifte voor het vrije verkeer;
- wanneer de vergunninghouder verzoekt goederen of produkten in het vrije verkeer te mogen brengen en bewijst dat het door bijzondere omstandigheden, die geen enkele nalatigheid of manipulatie van zijn kant inhouden, onmogelijk of economisch onmogelijk is de goederen onder die voorwaarden uit te voeren die hij bij het aanvragen van de vergunning had voorzien en aangetoond.
3. Het verzoek om voor toepassing van lid 2, vijfde streepje, in aanmerking te komen wordt gericht aan de daartoe aangewezen douaneautoriteiten van de Lid-Staat die de vergunning heeft verleend. Het is slechts ontvankelijk wanneer daarbij alle bewijsstukken zijn gevoegd die nodig zijn om het voorgelegde geval volledig te kunnen onderzoeken.
Wanneer de douaneautoriteiten waarbij het verzoek is ingediend constateren dat de in dit verzoek omschreven situatie overeenkomt met lid 2, vijfde streepje, en wanneer het bedrag op basis waarvan de compenserende interesten worden berekend, ten hoogste 3 000 ecu per zuiveringsafrekening bedraagt, laten zij lid 1 buiten toepassing. In een dergelijk geval worden de bewijsstukken gedurende ten minste drie jaar door de douaneautoriteiten bewaard.
In alle overige gevallen en voor zover de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat aan het ingediende verzoek een gunstig gevolg kan worden gegeven, zenden zij dit verzoek door aan de Commissie en voegen daarbij het dossier dat alle gegevens bevat die voor een volledig onderzoek noodzakelijk zijn.
Wanneer de douaneautoriteiten de veredelingsprodukten of de goederen in ongewijzigde staat vrijgeven voor het vrije verkeer, kan geëist worden dat hiervoor een zekerheid wordt gesteld waarvan het bedrag overeenkomstig lid 4 wordt bepaald.
De Commissie bevestigt de betrokken Lid-Staat onmiddellijk de ontvangst van het dossier. Indien de Commissie binnen een termijn van twee maanden na de datum van de ontvangstbevestiging geen bezwaar heeft gemaakt tegen de inwilliging van het verzoek, bepaalt de Lid-Staat dat lid 1 buiten toepassing blijft.
De Commissie stelt de Lid-Staten in kennis van de ontvangen verzoeken en het daaraan gegeven gevolg.
4. a) De in aanmerking te nemen jaarlijkse interestpercentages worden door de Commissie vastgesteld met inachtneming van het rekenkundige gemiddelde van de representatieve interestpercentages voor de korte termijn in elke Lid-Staat in hetzelfde halfjaar van het jaar dat aan de toepassingsperiode voorafgaat.
Zij zijn van toepassing op elke douaneschuld die in de loop van een half kalenderjaar ontstaat.
Toegepast wordt het percentage van de Lid-Staat waar de actieve veredeling of het eerste deel daarvan heeft plaatsgevonden of had moeten plaatsvinden.
De percentages worden uiterlijk één maand vóór hun toepassing in de L-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt.
b) De interesten worden toegepast per kalendermaand en voor de periode tussen de eerste dag van de maand volgende op die waarin de eerste invoergoederen waarvoor de regeling wordt aangezuiverd onder de regeling zijn geplaatst en de laatste dag van de maand waarin de douaneschuld is ontstaan.
Ten einde het vaststellen van de periode die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de compenserende interesten te vereenvoudigen en met name wanneer het veredelingshandelingen betreft waarbij de hoeveelheid invoergoederen en/of veredelingsprodukten de toepassing van de normale bepalingen economisch onuitvoerbaar maakt, kunnen de douaneautoriteiten, op verzoek van belanghebbende, toestaan dat de periode gedurende welke interesten worden aangerekend, wordt bepaald aan de hand van de omzetsnelheid van de voorraad goederen die voor de verkrijging van de veredelingsprodukten worden gebruikt.
Onder omzetsnelheid van de voorraad wordt verstaan de gemiddelde duur van de periode die aanvangt op het tijdstip dat de goederen die voor het verkrijgen van de veredelingsprodukten worden gebruikt de fabriek binnenkomen en die eindigt op het tijdstip dat zij de fabriek verlaten. Deze duur wordt bepaald door de verhouding tussen enerzijds de waarde van de gemiddelde voorraad van de goederen die nodig zijn voor het verkrijgen van de veredelingsprodukten, tegen inkoopprijzen en anderzijds het jaarlijkse omzetcijfer tegen inkoopprijzen.
Het verkregen cijfer wordt met twaalf vermenigvuldigd en vervolgens naar boven afgerond op een geheel getal. Het resultaat is het aantal maanden gedurende welke compenserende interesten worden aangerekend.
Deze vereenvoudiging wordt door de douaneautoriteiten slechts toegestaan indien het mogelijk is de omzetsnelheid van de voorraden te controleren.
De voor de toepassing van compenserende interesten in aanmerking te nemen periode kan niet minder dan één maand bedragen.
c) Het bedrag van de interesten wordt berekend op basis van de rechten bij invoer, naar het onder a) bedoelde interestpercentage over de onder b) bedoelde periode.