Hof Amsterdam 15 oktober 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AO2650

Naar het oordeel van de Douanekamer staat in casu artikel 220, tweede lid, aanhef en onderdeel b, CDW aan boeking achteraf in de weg. Niet in geschil is dat gedurende een periode van ongeveer twintig jaar bewust toepassing is gegeven aan een zogenoemde 5%-regel, die inhoudt dat bij uitvoer van volwitte rijst (met meer dan 5% breukrijst) slechts een gewichtsaandeel van 5% breukrijst (volwitte hele rijst inclusief 5% breukrijst) wordt geaccepteerd als uitvoer van volwitte rijst. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat voorafgaand aan 5 mei 1997 deze regel met zijn instemming is toegepast. Blijkens een werkdocument van 9 november 1994 staat tevens vast dat Nederland de vaste praktijk tot toepassing van de 5%-regel zonder enig voorbehoud in het Comité Douanewetboek heeft verdedigd. De inhoud van de door de Nederlandse delegatie ingebrachte nota wijst er bovendien niet op dat voorlegging van de Nederlandse praktijk in bedoeld comité werd ingegeven door twijfel omtrent een begunstigende werking die zou uitgaan van de 5%-regel. Voor de veronderstelling dat belanghebbende de vergissing van de inspecteur, bestaande uit het toepassen van de 5%-regel, redelijkerwijze had kunnen ontdekken, is zijdens de inspecteur geen enkele onderbouwing geleverd. Ook uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting zijn de Douanekamer geen feiten of omstandigheden gebleken die deze veronderstelling zouden kunnen rechtvaardigen. Nu bovendien niet in geschil is dat belanghebbende te goeder trouw heeft gehandeld en gesteld noch gebleken is dat belanghebbende aan voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte niet heeft voldaan, was ten aanzien van belanghebbende sprake van een situatie als bedoeld in artikel 220, tweede lid, onderdeel b, CDW.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen