Art. 517 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. In de entrepots van de types A, C, D en E wijzen de douaneautoriteiten de entreposeur aan als degene die de in artikel 105 van het Wetboek bedoelde voorraadadministratie dient te voeren.

Deze voorraadadministratie dient ter beschikking van het controlekantoor te staan zodat de nodige controles kunnen worden verricht.

2. In een entrepot van het type B bewaart het controlekantoor de aangiften tot plaatsing onder het stelsel of de administratieve documenten die voor die plaatsing zijn gebruikt, ten einde op de aanzuivering toe te kunnen zien. Er wordt geen voorraadadministratie gevoerd. Onverminderd de overige communautaire bepalingen met betrekking tot het bewaren van douanedocumenten kan het controlekantoor, ten behoeve van zijn administratieve organisatie, termijnen voor het ter plaatse bewaren van deze aangiften vaststellen. Deze termijnen kunnen worden verlengd.

Wanneer de goederen waarop de aangifte of het document betrekking heeft bij het verstrijken van deze termijnen geen douanebestemming hebben gevolgd, verzoekt het controlekantoor aan deze goederen een dergelijke bestemming te geven of de oorspronkelijke aangifte of het document tot plaatsing onder het stelsel te vervangen door een nieuwe aangifte waarin alle gegevens van de oude aangifte of het document worden overgenomen.

3. De door de douane gevoerde administratie voor een entrepot van het type F bevat alle in artikel 520 genoemde gegevens. Deze administratie vervangt de in artikel 105 van het Wetboek bedoelde voorraadadministratie.