Art. 513 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Goederen die bestemd zijn om onder het stelsel van douane-entrepots te worden geplaatst, en de daarop betrekking hebbende aangifte tot plaatsing onder het stelsel worden aangebracht respectievelijk ingediend bij het controlekantoor of, wanneer artikel 511, lid 4, wordt toegepast, bij één van de in de vergunning vermelde kantoren van plaatsing.
2. Wanneer artikel 511, lid 4, tweede alinea, wordt toegepast, wordt een kopie of een extra exemplaar van de in lid 1 bedoelde aangifte of een kopie van het administratieve of handelsdocument dat gebruikt wordt om de goederen onder het stelsel te plaatsen door het kantoor van plaatsing naar het controlekantoor gezonden, zodra de goederen worden vrijgegeven. De naam en het adres van dit kantoor worden in vak 44 van de aangifte of op het administratieve of handelsdocument vermeld.
Wanneer het kantoor van plaatsing dit noodzakelijk acht, kan het het controlekantoor vragen hem van de aankomst van de goederen in kennis te stellen.
De bepalingen inzake het stelsel van douane-entrepots zijn van toepassing vanaf de datum waarop de aangifte tot plaatsing onder het stelsel door het kantoor van plaatsing wordt aanvaard. Deze aangifte doet tevens dienst voor het vervoer van de goederen naar het entrepot, dat zo spoedig mogelijk moet plaatsvinden, en het binnenbrengen van de goederen in de ruimten van het douane-entrepot zonder dat zij bij het controlekantoor worden aangebracht.
Deze procedure is niet van toepassing voor een entrepot van het type B.
3. De in lid 2 bedoelde procedure kan eveneens worden toegepast zonder dat de belanghebbende erom verzoekt, met name om redenen die verband houden met de administratieve organisatie van de douanekantoren, meer bepaald in verband met het gebruik van systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking.
Onderafdeling 1
Normale procedure