Art. 511 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. De vergunning wordt verleend door de douaneautoriteiten die daartoe zijn aangewezen door de Lid-Staat waar de aanvraag overeenkomstig artikel 509 is ingediend.

De vergunning wordt van kracht op de datum waarop zij wordt verleend of op een latere datum indien dit in de vergunning is bepaald. Wanneer evenwel, in uitzonderlijke gevallen, de douaneautoriteiten de aanvrager van een vergunning voor een particulier entrepot hun besluit tot afgifte van deze vergunning schriftelijk, doch op andere wijze dan door middel van het in bijlage 68/A bedoelde formulier, mededelen, wordt deze vergunning van kracht op de datum waarop deze mededeling wordt gedaan. Een afschrift van deze mededeling wordt als bijlage bij de vergunning gevoegd en maakt daarvan onlosmakelijk deel uit.

2. Onverminderd de bepalingen inzake nietigverklaring, intrekking en wijziging heeft de vergunning een onbeperkte geldigheidsduur.

3. In de vergunning wordt onder andere aangegeven welk douanekantoor bevoegd is om het douane-entrepot te controleren. In de vergunning kan in voorkomend geval worden bepaald dat gevaarlijke goederen, goederen die andere goederen kunnen aantasten of goederen die om andere redenen bijzondere voorzieningen vergen, in speciaal daarvoor ingerichte ruimten moeten worden opgeslagen.

Wanneer het een particulier entrepot betreft, kan eveneens worden bepaald welke goederen in dit entrepot mogen worden opgeslagen.

4. Indien de belanghebbende verzoekt goederen ook bij een ander douanekantoor dan het controlekantoor aan te mogen brengen en voor het stelsel aan te mogen geven, kunnen de douaneautoriteiten, voor zover dit geen gevolgen heeft voor de regelmatigheid van de verrichtingen, een of meer kantoren aanwijzen als kantoor van plaatsing.

Wanneer verschillende Lid-Staten bij de procedure zijn betrokken, zenden de douaneautoriteiten die de vergunning hebben verleend daarvan een kopie aan de andere betrokken douaneautoriteiten.