Art. 406 Verordening (EEG) nr. 2454/93

Verordening (EEG) nr. 2454/93

1. De douaneautoriteiten van elke Lid-Staat kunnen toestaan dat goederen die met toepassing van een regeling communautair douanevervoer worden vervoerd, niet aan het kantoor van bestemming worden aangeboden wanneer zij zijn bestemd voor een persoon die aan de voorwaarden in artikel 407 voldoet, hierna "toegelaten geadresseerde" genoemd, en aan wie door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waaronder het kantoor van bestemming ressorteert, vooraf vergunning is verleend.

2. In het in lid 1 bedoelde geval heeft de aangever aan de ingevolge artikel 96, lid 1, onder a), van het Wetboek op hem rustende verplichtingen voldaan zodra de goederen in ongewijzigde staat en de daarbij behorende exemplaren van het document voor communautair douanevervoer binnen de gestelde termijn en met inachtneming van de getroffen identificatiemaatregelen door de toegelaten geadresseerde in diens bedrijfsruimte of op de in de vergunning aangewezen plaatsen in ontvangst zijn genomen.

3. Voor elke zending die de toegelaten geadresseerde onder de in lid 2 bedoelde omstandigheden in ontvangst neemt, geeft hij, op verzoek van de vervoerder, een ontvangstbewijs af waarin hij verklaart dat hij het document en de goederen heeft ontvangen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen