Art. 230 Verordening (EEG) nr. 2454/93
Wanneer zij niet uitdrukkelijk bij de douane worden aangegeven, worden de hierna volgende goederen geacht voor het vrije verkeer te zijn aangegeven door de handeling bedoeld in artikel 233:
a) goederen waaraan ieder handelskarakter vreemd is, die in de persoonlijke bagage van reizigers zijn vervat en voor vrijstelling in aanmerking komen, hetzij ingevolge hoofdstuk I, titel XI, van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad (10) hetzij als terugkerende goederen;
(10) PB nr. L 105 van 23. 4. 1983, blz. 1.
b) goederen die in aanmerking komen voor de vrijstellingen bedoeld bij hoofdstuk I, titels IX en X, van Verordening (EEG) nr. 918/83;
c) vervoermiddelen die als terugkerende goederen voor vrijstelling in aanmerking komen;
d) goederen die worden ingevoerd in het kader van onbelangrijk handelsverkeer en zijn vrijgesteld van de verplichting om te worden aangebracht bij een douanekantoor overeenkomstig artikel 38, lid 4, van het Wetboek, op voorwaarde dat zij niet zijn onderworpen aan rechten bij invoer.