Art. 126 Verordening (EEG) nr. 2454/93
De in deze onderafdeling genoemde voorwaarden met betrekking tot het verkrijgen van oorsprong moeten zonder onderbreking in de Gemeenschap of een begunstigde republiek zijn vervuld.
Indien goederen van oorsprong uit de Gemeenschap of een begunstigde republiek naar een ander land worden uitgevoerd en terugkeren, worden zij als niet van oorsprong zijnde beschouwd, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:
- de teruggekeerde goederen dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen, en
- zij in dat land geen andere behandelingen hebben ondergaan dan die welke nodig waren ter verzekering van hun bewaring in goede staat.
Onderafdeling 2
Bewijs van de oorsprong
a) Certificaat inzake goederenverkeer EUR.1