Art. 125 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. De in artikel 120 bedoelde preferentiële behandeling is slechts van toepassing op produkten of materialen die tussen het grondgebied van de begunstigde republiek en dat van de Gemeenschap zijn vervoerd zonder gebruikmaking van een ander grondgebied. Produkten van oorsprong uit een begunstigde republiek of uit de Gemeenschap die een enkele zending vormen kunnen evenwel over een ander grondgebied dan dat van een begunstigde republiek of van de Gemeenschap worden vervoerd, met, eventueel, overlading of tijdelijke opslag op dit andere grondgebied, voor zover de goederen in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douaneautoriteiten zijn gebleven en zij aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen, opnieuw laden of behandelingen ter verzekering van hun bewaring in goede staat.
Produkten van oorsprong uit de begunstigde republiek of uit de Gemeenschap kunnen via een pijpleiding worden vervoerd over andere grondgebieden dan dat van de Gemeenschap of van de begunstigde republiek.
2. Het bewijs dat aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, wordt geleverd door de overlegging aan de bevoegde douaneautoriteiten van de volgende stukken:
a) één enkel in het land of gebied van uitvoer afgegeven vervoersdocument onder dekking waarvan het vervoer door het land van doorvoer heeft plaatsgevonden, of
b) een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven verklaring, waarin:
- de goederen nauwkeurig zijn omschreven,
- de data zijn aangegeven waarop de goederen zijn gelost en opnieuw geladen, en is vermeld van welke schepen eventueel gebruik werd gemaakt,
- is vermeld onder welke voorwaarden de goederen in het land van doorvoer verbleven;
c) hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.