Art. 7 Richtlijn 93/7/EEG
1. De Lid-Staten bepalen in hun wetgeving dat de in deze richtlijn bedoelde vordering tot teruggave verjaart één jaar na de datum waarop de plaats waar het cultuurgoed zich bevindt en de identiteit van de bezitter of de houder van dat goed ter kennis van de verzoekende Lid-Staat zijn gekomen.
De vordering tot teruggave verjaart in elk geval 30 jaar na de datum waarop het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van de verzoekende Lid-Staat is gebracht. In het geval van goederen die deel uitmaken van openbare collecties, als bedoeld in artikel 1, punt 1, en van kerkelijke goederen in de Lid-Staten waar deze zijn onderworpen aan speciale beschermende maatregelen krachtens nationaal recht, verjaart de vordering tot teruggave evenwel na 75 jaar, behalve in de Lid-Staten waar geen verjaring van de vordering geldt of indien bij bilaterale overeenkomsten tussen Lid-Staten een termijn van meer dan 75 jaar is vastgesteld.
2. De vordering tot teruggave is niet ontvankelijk indien het buiten het grondgebied van de verzoekende Lid-Staat brengen op het tijdstip waarop de vordering wordt ingesteld, niet meer onrechtmatig is.