Art. 5 Richtlijn 93/7/EEG
De verzoekende Lid-Staat kan bij de bevoegde rechtbank van de aangezochte Lid-Staat tegen de bezitter, of, bij ontstentenis van de bezitter, tegen de houder, een vordering instellen tot teruggave van een op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van de verzoekende Lid-Staat gebracht cultuurgoed.
Voor de ontvankelijkheid van de vordering moet het stuk dat het geding inleidt vergezeld gaan van:
- een document waarin het goed waarop de vordering tot teruggave betrekking heeft, wordt beschreven en waarin wordt verklaard dat dit goed een cultuurgoed is;
- een verklaring van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Lid-Staat dat het cultuurgoed op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van de verzoekende Lid-Staat is gebracht.