Art. 4 Richtlijn 93/7/EEG

Richtlijn 93/7/EEG

De centrale autoriteiten van de Lid-Staten werken samen en bevorderen overleg tussen de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten, die met name:

1. op verzoek van de verzoekende Lid-Staat een nader bepaald cultuurgoed dat op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van deze Lid-Staat is gebracht, opsporen en de identiteit van de bezitter en/of de houder ervan vaststellen. Dit verzoek moet vergezeld gaan van alle nodige informatie om deze opsporing en vaststelling te vergemakkelijken, met name over de plaats waar het goed zich feitelijk of vermoedelijk bevindt;

2. bij ontdekking op hun grondgebied van cultuurgoederen waarvoor er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat die goederen op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van andere Lid-Staten zijn gebracht, de betrokken Lid-Staten hiervan in kennis stellen;

3. de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Lid-Staat gedurende een termijn van twee maanden na de in punt 2 bedoelde kennisgeving, de gelegenheid geven na te trekken of het betrokken goed een cultuurgoed in de zin van artikel 1, punt 1, vormt. Doen zij dit niet binnen de gestelde termijn, dan zijn de punten 4 en 5 niet langer van toepassing;

4. in samenwerking met de betrokken Lid-Staat de nodige maatregelen treffen voor het materiële behoud van het cultuurgoed;

5. door de nodige voorlopige maatregelen voorkomen dat het cultuurgoed aan de procedure van teruggave wordt onttrokken;

6. met betrekking tot de teruggave als tussenpersoon fungeren tussen de bezitter en/of de houder en de verzoekende Lid-Staat. Te dien einde kunnen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Lid-Staat, onverminderd artikel 5, eerst de weg effenen voor een arbitrageprocedure overeenkomstig de nationale wetgeving van de aangezochte Lid-Staat; de verzoekende Staat en de bezitter of houder moeten uitdrukkelijk met de arbitrageprocedure akkoord gaan.