Art. 14

1. In geval van een onverschuldigde betaling is het betrokken bedrijfshoofd verplicht tot terugbetaling van deze bedragen, verhoogd met rente die wordt berekend op basis van de tijd die is verstreken tussen de betaling en de terugbetaling door de begunstigde.

De toepasbare rente wordt berekend volgens de nationale bepalingen en mag nochtans in geen geval lager zijn dan de rente die gebruikt wordt bij terugvordering van nationale bedragen.

Geen rente of ten hoogste een door de Lid-Staat te bepalen bedrag dat overeenkomt met het onverschuldigde voordeel, wordt toegepast in geval van een onverschuldigde betaling die te wijten is aan een fout van de bevoegde instantie.

Met betrekking tot de steunbedragen of premies die zijn gefinancierd door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, worden de terugontvangen bedragen en de aan de betaalorganen betaalde rente door deze laatste in mindering gebracht op de uitgaven van dit Fonds, afdeling Garantie, onverminderd het bepaalde in artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 595/91 van de Raad (10).

2. De Lid-Staten kunnen evenwel besluiten dat het bovenbedoelde bedrag niet hoeft te worden terugbetaald, maar in mindering komt op het eerste voorschot dat na de datum van het besluit betreffende de terugbetaling aan het betrokken bedrijfshoofd wordt verstrekt, of op de eerste betaling aan hem na die datum. In dit geval wordt geen rente berekend nadat de begunstigde van de onverschuldigde betaling in kennis is gesteld.

3. De Lid-Staten kunnen ervan afzien terugbetaling te verlangen van bedragen die niet groter zijn dan 20 ecu per bedrijfshoofd per kalenderjaar, voor zover in het nationale recht analoge voorschriften inzake niet-terugvordering in soortgelijke gevallen gelden.

Uitspraken die dit artikel aanhalen