Art. 115 Verordening (EEG) nr. 2913/92

Verordening (EEG) nr. 2913/92

1. Wanneer is voldaan aan de voorwaarden van lid 2, staan de douaneautoriteiten, onder voorbehoud van lid 4, toe dat:

a) de veredelingsprodukten uit equivalente goederen worden verkregen;

b) de uit equivalente goederen verkregen veredelingsprodukten uit de Gemeenschap worden uitgevoerd alvorens de invoer van invoergoederen is geschied.

2. De equivalente goederen moeten dezelfde kwaliteit en dezelfde kenmerken hebben als de invoergoederen. In bijzondere, volgens de procedure van het Comité vastgestelde gevallen, kan echter worden toegestaan dat de equivalente goederen zich in een verder gevorderd stadium van fabricage bevinden dan de invoergoederen.

3. Bij toepassing van lid 1 bevinden de invoergoederen zich in de douanesituatie van de equivalente goederen en deze laatste in de douanesituatie van de invoergoederen.

4. Maatregelen om de toepassing van het bepaalde in lid 1 te verbieden of te beperken, kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

5. Indien de veredelingsprodukten aan rechten bij uitvoer onderworpen zouden zijn geweest, indien deze niet in het kader van de actieve veredeling waren uitgevoerd of wederuitgevoerd, dient de houder van de vergunning bij toepassing van lid 1, onder b), een zekerheid te stellen om de betaling van deze rechten te waarborgen voor het geval de invoer van de invoergoederen niet binnen de gestelde termijn zal geschieden.

II. Afgifte van de vergunning