Art. 118 Verordening (EEG) nr. 2913/92
1. De douaneautoriteiten stellen de termijn vast waarbinnen de veredelingsprodukten uitgevoerd of wederuitgevoerd moeten zijn of een andere douanebestemming moeten hebben gekregen. Bij de vaststelling van deze termijn wordt rekening gehouden met de tijd die nodig is voor het verrichten van de veredelingshandelingen en de afzet van de veredelingsprodukten.
2. De termijn gaat in op de datum waarop de niet-communautaire goederen onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst. De douaneautoriteiten kunnen deze termijn verlenen op met redenen omkleed verzoek van de vergunninghouder.
Ter vereenvoudiging kan worden besloten dat termijnen die ingaan in de loop van een kalendermaand of kwartaal, verstrijken op de laatste dag van een latere kalendermaand, respectievelijk van een later kwartaal.
3. In geval van toepassing van artikel 115, lid 1, onder b), stellen de douaneautoriteiten de termijn vast waarbinnen de niet-communautaire goederen voor de regeling moeten worden aangegeven. Deze termijn gaat in op de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer van de veredelingsprodukten die uit de betrokken equivalente goederen zijn verkregen.
4. Volgens de procedure van het Comité kunnen voor bepaalde veredelingshandelingen of voor bepaalde invoergoederen specifieke termijnen worden vastgesteld.