Art. 5 Verordening (EEG) nr. 2080/92, Procedure voor het onderzoek van de programma's
1. De Lid-Staten stellen de Commissie vóór 30 juli 1993 in kennis van de ontwerpen van de in artikel 4 bedoelde nationale of regionale programma's en van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die reeds bestaan of die zij voornemens zijn vast te stellen ter uitvoering van deze verordening, vergezeld van een raming van de jaarlijkse uitgaven voor de tenuitvoerlegging van de programma's.
2. De Commissie onderzoekt de medegedeelde ontwerpen ten einde:
- na te gaan of deze, gelet op de doelstellingen van deze verordening en op het verband tussen de verschillende maatregelen, in overeenstemming zijn met deze verordening,
- te bepalen welke maatregelen voor medefinanciering in aanmerking komen,
- het totaalbedrag van de voor medefinanciering in aanmerking komende uitgaven vast te stellen.
3. De Commissie neemt op grond van de in lid 2 genoemde elementen een besluit over de goedkeuring van de nationale of regionale programma's. Daartoe dient de vertegenwoordiger van de Commissie een ontwerp-besluit in bij het bij Beschikking 89/367/EEG ingestelde Permanent Comité voor de bosbouw.
Het Comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de Voorzitter kan bepalen naar gelang van de urgentie van het vraagstuk. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.
De Commissie stelt maatregelen vast die onmiddellijk van toepassing zijn. Indien deze maatregelen echter niet in overeenstemming zijn met het door het Comité uitgebrachte advies, worden zij onverwijld door de Commissie ter kennis van de Raad gebracht. In dat geval:
- kan de Commissie de toepassing van de maatregelen waartoe zij heeft besloten tot ten hoogste één maand na deze kennisgeving uitstellen.
- kan de Raad binnen de in de voorgaande alinea genoemde termijn met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.
4. De Lid-Staten delen de Commissie de in artikel 4, zesde streepje, bedoelde bebossingsplannen mee.