Art. 3 Verordening (EEG) nr. 1765/92

Verordening (EEG) nr. 1765/92

1. Elke Lid-Staat stelt een regioplan op waarin de criteria worden opgenomen voor het bepalen van afzonderlijke produktieregio's. De criteria moeten adequaat en objectief zijn en voldoende flexibel om homogene zones met een bepaalde minimumgrootte te kunnen aanwijzen, en moeten ruimte laten voor specifieke kenmerken die van invloed zijn op de opbrengsten, zoals bijvoorbeeld de bodemvruchtbaarheid, met inbegrip van, waar van toepassing, een gepaste differentiatie tussen bevloeide en niet-bevloeide gebieden. Deze regio's mogen de grenzen van de regionale basisarealen, bedoeld in artikel 2, lid 2, niet overschrijden.

De Lid-Staten mogen in hun regioplannen voor maïs een afwijkend opbrengstcijfer hanteren in vergelijking met andere graansoorten. In dat geval moeten regionale of individuele basisarealen, als bedoeld in artikel 2, leden 2 en 3, die dezelfde grenzen hebben, apart worden vastgesteld voor maïs en andere akkerbouwgewassen.

2. Voor elke produktieregio moet de Lid-Staat gedetailleerde gegevens verstrekken over het areaal en de opbrengsten van granen, oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen in de betrokken regio in de periode van vijf jaar van 1986/1987 tot en met 1990/1991. Voor elke regio wordt een gemiddelde graanopbrengst en indien mogelijk opbrengst van oliehoudende zaden per ha berekend, waarbij het jaar met de hoogste en dat met de laagste opbrengst in de betrokken periode buiten beschouwing worden gelaten.

In het geval van Portugese graansoorten kan aan deze verplichting worden voldaan door de gegevens te verstrekken die zijn verschaft in het kader van de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3653/90 van de Raad van 11 december 1990 houdende overgangsbepalingen inzake de gemeenschappelijke marktordening voor granen en rijst voor Portugal (2) en in het geval van de vijf nieuwe Duitse Laender door gegevens te verstrekken over de gemiddelde oogstopbrengst in de andere Duitse Laender.

Indien een Lid-Staat besluit maïs apart van andere graansoorten te behandelen dient de gemiddelde graanopbrengst, die niet mag worden gewijzigd, ook te worden opgesplitst in maïs alleen en andere graansoorten zonder maïs.

3. De Lid-Staten moeten hun regioplan uiterlijk op 1 augustus 1992 bij de Commissie indienen, met daarbij alle dienstige gegevens. Zij kunnen aan deze verplichting voldoen door te verwijzen naar het overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3766/91 van de Raad van 12 december 1991 inzake een steunregeling voor producenten van sojabonen, kool- en raapzaad en zonnebloemzaad (3) bij de Commissie ingediende regioplan.

4. De Commissie onderzoekt de door de Lid-Staten ingediende regioplannen en ziet erop toe dat elk plan gebaseerd is op adequate, objectieve criteria en in overeenstemming is met de beschikbare historische gegevens. De Commissie kan bezwaar maken tegen plannen die niet beantwoorden aan de bovengenoemde criteria, in het bijzonder die met betrekking tot de gemiddelde opbrengst in de Lid-Staat. In dat geval moeten de plannen door de betrokken Lid-Staat worden bijgesteld na overleg met de Commissie.

5. De regioplannen kunnen door de betrokken Lid-Staat worden herzien op verzoek van de Commissie of op initiatief van die Lid-Staat overeenkomstig de in de leden 1 tot en met 4 neergelegde procedure.

Uitspraken die dit artikel aanhalen