Art. 11 Verordening (EEG) nr. 1765/92

Verordening (EEG) nr. 1765/92

1. Voor het compensatiebedrag voor producenten van oliehoudend kool- en raapzaad komen alleen telers in aanmerking die zaad van een goedgekeurde kwaliteit en variëteit gebruiken. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG vast welk koolzaad en welk raapzaad voor steun in aanmerking komt.

2. Producenten die een aanvraag indienen voor compensatiebedragen voor oliehoudende zaden hebben recht op een voorschot dat niet meer mag bedragen dan 50 % van het Voorlopig Regionaal Referentiebedrag. De Lid-Staten moeten de nodige controles verrichten om uit te maken of de betrokkenen werkelijk recht hebben op het voorschot. Wordt het recht op uitbetaling vastgesteld, dan dient het voorschot te worden uitgekeerd.

3. Om voor een voorschot in aanmerking te komen moet de betrokken producent op de voor de betrokken regio vastgestelde datum het zaad hebben uitgezaaid en bij de bevoegde instantie van de Lid-Staat een gedetailleerd teeltplan voor zijn bedrijf waarin is aangegeven welke grond zal worden gebruikt voor de teelt van oliehoudende zaden, hebben overgelegd.

4. Als een voorschot is betaald, wordt achteraf een saldo uitgekeerd dat gelijk is aan het eventuele verschil tussen het voorschot en het Definitief Regionaal Referentiebedrag.

5. Als een producent aantoont dat hij gedurende een nader te bepalen periode eigenaar is gebleven van het produkt kan hem een bonus voor ordelijke afzet worden uitgekeerd. Het bedrag van de bonus en de voorwaarden voor toekenning ervan worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG.

6. Het tijdschema van het geregionaliseerd systeem van betaling aan aanvragers wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG.

Uitspraken die dit artikel aanhalen