Art. 10 Richtlijn 92/118/EEG

Richtlijn 92/118/EEG

1. Om ervoor te zorgen dat artikel 9 op eenvormige wijze wordt toegepast, gelden de volgende bepalingen.

2. Produkten als bedoeld in de bijlagen I en II en in artikel 3, tweede en derde streepje, mogen slechts in de Gemeenschap worden ingevoerd indien zij aan de volgende eisen voldoen:

a) zij moeten, behalve indien er in de bijlagen I en II andere specifieke voorwaarden zijn opgenomen, afkomstig zijn uit een derde land of een deel van een derde land dat voorkomt op een lijst die volgens de procedure van artikel 18 zal worden opgesteld en bijgewerkt;

b) zij moeten, behalve voor de produkten bedoeld in bijlage I, hoofdstuk 5, punt B, afkomstig zijn van inrichtingen waarvoor de bevoegde autoriteit van het derde land de Commissie de garantie heeft verstrekt dat zij de voorschriften van lid 3, onder a), naleven;

c) zij moeten in de specifiek in de bijlagen I en II en in artikel 3, tweede en derde streepje, bedoelde gevallen vergezeld gaan van een gezondheids- of keuringscertificaat overeenkomstig een model dat volgens de procedure van artikel 18 zal worden opgesteld, waarin wordt verklaard dat de produkten voldoen aan de aanvullende eisen of de gelijkwaardige garanties bedoeld in lid 3, onder a), bieden, dan wel dat zij afkomstig zijn van inrichtingen die deze garanties bieden, en dat ondertekend is door de officiële dierenarts of, in voorkomend geval, door een volgens dezelfde procedure erkende bevoegde autoriteit.

3. Volgens de procedure van artikel 18:

a) worden de specifieke voorschriften - met name ter bescherming van de Gemeenschap tegen bepaalde exotische ziekten of tegen voor de mens besmettelijke ziekten - of garanties die gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in de bijlagen I en II en in artikel 3, tweede en derde streepje, vastgesteld.

De voor de derde landen vastgestelde specifieke voorschriften en gelijkwaardige garanties mogen niet gunstiger zijn dan die van de bijlagen I en II en van artikel 3, tweede en derde streepje;

b) wordt een communautaire lijst opgesteld van de inrichtingen die voldoen aan de eisen van lid 2, onder b);

c) wordt de aard vastgesteld van de eventuele behandelingen of de maatregelen ter voorkoming van een nieuwe verontreiniging van darmen van dieren, van eieren of van eiprodukten.

4. De in de leden 2 en 3 bedoelde besluiten moeten worden genomen na evaluatie, eventueel na advies van het Wetenschappelijk Veterinair Comité, van het reële gevaar van verspreiding van ernstige besmettelijke ziekten of van voor de mens besmettelijke ziekten, ten gevolge van het eventuele verkeer van het produkt, niet alleen onder de diersoort waarvan het produkt afkomstig is maar ook onder andere diersoorten die drager van de ziekte zouden kunnen zijn of die een ziektehaard of een gevaar voor de volksgezondheid zouden kunnen worden.

5. Deskundigen van de Commissie en van de Lid-Staten verrichten controles ter plaatse om na te gaan of de door het derde land geboden garanties inzake de voorwaarden voor de produktie en het in de handel brengen kunnen worden beschouwd als gelijkwaardig aan die welke in de Gemeenschap gelden.

De met deze controles belaste deskundigen van de Lid-Staten worden aangewezen door de Commissie op voordracht van de Lid-Staten.

Deze controles worden uitgevoerd in opdracht van de Gemeenschap, die alle ermee gemoeide kosten draagt.

In afwachting van de in de eerste alinea bedoelde controles blijven de geldende nationale bepalingen inzake inspectie in derde landen van toepassing, met dien verstande dat de tijdens de inspecties geconstateerde overtredingen van de overeenkomstig lid 3 geboden garanties aan het Permanent Veterinair Comité moeten worden meegedeeld.

6. In afwachting van de opstelling van de in lid 2, onder a), en lid 3, onder b), bedoelde lijsten mogen de Lid-Staten de in artikel 11 van Richtlijn 90/675/EEG bedoelde controles en het nationaal certificaat dat voor ingevoerde produkten vereist is in het kader van de bestaande nationale regelgeving, handhaven.