Art. 5

1. De Lid-Staten zien erop toe dat de volgende algemene beginselen worden nageleefd:

a) identificatiemerktekens moeten worden aangebracht voordat de dieren het bedrijf waar ze geboren zijn, verlaten;

b) geen enkel merkteken mag worden verwijderd of vervangen zonder toestemming van de bevoegde autoriteit.

Wanneer een merkteken onleesbaar is geworden of is verloren, moet overeenkomstig dit artikel een nieuw merkteken worden aangebracht;

c) elk nieuw merkteken moet door de houder in het in artikel 4 bedoelde register worden genoteerd zodanig dat er een verband wordt gelegd met het vorige merkteken dat op het dier was aangebracht;

d) het in lid 2, onder a), bedoelde oormerk moet van een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd model, onvervalsbaar en tijdens het hele leven van het dier leesbaar zijn. Het mag niet opnieuw gebruikt kunnen worden. Het moet zodanig bevestigd kunnen blijven dat het welzijn van het dier er geen schade van ondervindt.

2. Wat runderen betreft zien de Lid-Staten erop toe dat voor runderen:

a) ieder in artikel 2 van Richtlijn 64/432/EEG bedoeld dier dat zich op een bedrijf bevindt, geïdentificeerd wordt door middel van een oormerk met een cijfer- en lettercode van niet meer dan 14 tekens waarmee ieder dier afzonderlijk alsmede het bedrijf waarop het geboren is, kunnen worden geïdentificeerd, of, in het geval van stieren bestemd voor culturele of sportieve evenementen (met uitzondering van beurzen en tentoonstellingen) volgens een door de Commissie erkend identificatiesysteem dat gelijkwaardige waarborgen biedt.

De in de eerste alinea bedoelde oormerken moeten worden aangebracht uiterlijk negen maanden nadat volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 90/425/EEG nadere voorschriften voor de identificatie van de Lid-Staat en het bedrijf van oorsprong zijn aangenomen. Dieren die vóór het verstrijken van deze periode worden geïdentificeerd, moeten hetzij overeenkomstig de in de derde alinea bedoelde nationale systemen, hetzij met het in de eerste alinea bedoelde oormerk worden gemerkt.

Volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 90/425/EEG wordt deze termijn van negen maanden, op verzoek van een Lid-Staat, verlengd tot 1 juli 1994.

Dieren die vóór het verstrijken van voornoemde termijn zijn geïdentificeerd overeenkomstig de geldende nationale systemen, waarvan de Commissie in kennis is gesteld, blijven evenwel onderworpen aan controles op basis van die systemen;

b) de identificatiemerktekens aan het bedrijf worden toegewezen, aan de houder worden verstrekt en op de dieren worden aangebracht op een door de bevoegde autoriteit te bepalen wijze;

c) de identificatiemerktekens uiterlijk 30 dagen na de geboorte van de dieren worden aangebracht.

De bevoegde autoriteit kan de aanbrenging van dit merkteken echter tot een leeftijd van ten hoogste zes maanden uitstellen wanneer het dier vóór de leeftijd van 30 dagen door de houder voorzien is van een door deze autoriteit erkend voorlopig merkteken waarmee het bedrijf waar het dier geboren is kan worden geïdentificeerd en dit dier het bedrijf alleen kan verlaten om te worden geslacht in een slachthuis op het grondgebied van de bevoegde autoriteit die het voorlopige merkteken heeft erkend, zonder via een ander bedrijf te passeren.

De bevoegde autoriteit kan evenwel toestaan dat kalveren die zijn bestemd om vóór de leeftijd van zes maanden te worden geslacht en die overeenkomstig een nationaal verplaatsingssysteem, dat volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 90/425/EEG is erkend en dat tenminste de opsporing van het bedrijf van oorsprong toelaat, worden verplaatst voordat zij 30 dagen oud zijn, op de vetweiderij van een merkteken worden voorzien, op voorwaarde dat de kalveren rechtstreeks vanaf het bedrijf van geboorte zijn overgebracht en dat de onder dergelijke systemen verplaatste dieren niet voor een premie in aanmerking komen.

3. Andere dieren dan runderen moeten zo snel mogelijk en in ieder geval voordat zij het bedrijf verlaten, worden gemerkt met een oormerk of een tatoeage aan de hand waarvan het bedrijf van herkomst kan worden vastgesteld en waardoor een verband kan worden gelegd met de in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde lijst; in de begeleidende documenten dient van dit merk melding te worden gemaakt.

In afwijking van artikel 3, lid 1, onder c), tweede alinea, van Richtlijn 90/425/EEG en in afwachting van het in artikel 10 van de onderhavige richtlijn bedoelde besluit kunnen de Lid-Staten voor andere dieren dan runderen hun nationale systeem handhaven voor alle verplaatsingen op hun grondgebied. Met dit systeem moet het mogelijk zijn het bedrijf van herkomst te identificeren en het bedrijf waar het dier geboren is op te sporen. De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de systemen die zij te dien einde vanaf 1 juli 1993 voor varkens en op 1 juli 1994 voor schapen en geiten zullen toepassen. Volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 90/425/EEG kan een Lid-Staat worden verzocht het systeem te wijzigen wanneer het niet aan vorengenoemd vereiste voldoet.

Dieren met een tijdelijk merkteken ter identificatie van een partij moeten gedurende de verplaatsing vergezeld gaan van een document aan de hand waarvan de oorsprong, de eigenaar en de plaats van vertrek en bestemming van de dieren kunnen worden bepaald.

De bevoegde autoriteit kan evenwel verplaatsingen van niet-gemerkte schapen en geiten toestaan tussen bedrijven met dezelfde gezondheidsstatus van een zelfde eigenaar die gelegen zijn op het grondgebied van die autoriteit, mits deze verplaatsing geschiedt onder een nationaal systeem aan de hand waarvan het bedrijf waar het dier geboren is, kan worden vastgesteld. De Lid-Staten moeten de Commissie vóór 1 juli 1994 meedelen welke systemen zij daartoe zullen instellen. Volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 90/425/EEG kan een Lid-Staat worden verzocht dat systeem te wijzigen als het niet voldoet aan voornoemde eis.

4. In artikel 3, lid 2, van Richtlijn 64/432/EEG wordt punt e) vervangen door:

"e) geïdentificeerd zijn overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 92/102/EEG van de Raad van 27 november 1992 met betrekking tot de identificatie en de registratie van dieren (*);

(*) PB nr. L 355 van 5. 12. 1992, blz. 32.".

Uitspraken die dit artikel aanhalen