Art. 4
1. De Lid-Staten zien erop toe dat:
a) elke houder van de in Richtlijn 64/432/EEG bedoelde runderen of varkens, die op de in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde lijst voorkomt een register bijhoudt van het aantal dieren dat zich op zijn bedrijf bevindt.
In dat register worden alle geboorten, sterftegevallen en verplaatsingen (aantallen inkomende en uitgaande dieren) bijgehouden van de dieren, minstens op basis van de stromen met vermelding, in voorkomend geval, van oorsprong of bestemming alsmede de datum van deze stromen.
In alle gevallen moet melding worden gemaakt van het overeenkomstig de artikelen 5 en 8 aangebrachte identificatiemerk.
Het is evenwel niet verplicht voor varkens gegevens betreffende geboorten en sterftegevallen op te nemen.
Voor raszuivere en hybride varkens die overeenkomstig Richtlijn 88/661/EEG (11) in een stamboek zijn ingeschreven, kan volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 90/425/EEG een registratiesysteem op basis van individuele identificatie van de dieren worden erkend, indien dit systeem garanties biedt die gelijkwaardig zijn aan die van een register;
b) elke houder van schapen of geiten wiens bedrijf op de in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde lijst staat, een register bijhoudt waarin tenminste het totale aantal schapen en geiten vermeld is dat zich op een elk jaar door de bevoegde autoriteit vast te stellen datum op het bedrijf bevindt.
In dit register worden tevens bijgehouden
- het aantal vrouwelijke dieren op het bedrijf van meer dan twaalf maanden oud of die vóór die leeftijd gejongd hebben;
- de verplaatsingen (aantallen inkomende en uitgaande dieren) van schapen en geiten, minstens op basis van de stromen met vermelding van oorsprong en/of bestemming, de datum van die stromen en de merktekens.
2. Volgens de procedure van artikel 18 van Richtlijn 90/425/EEG moet evenwel vóór 1 januari 1993 voor buffels en vóór 1 oktober 1994 voor de verplaatsingen van schapen en geiten in verband met transhumance en voor alle voornoemde dieren die worden gehouden in schaarweiden en die worden gefokt in geografisch geïsoleerde gebieden, een vereenvoudigde registratieprocedure worden vastgesteld.
3. De Lid-Staten zien er tevens op toe dat:
a) elke houder van dieren de bevoegde autoriteit desgevraagd alle inlichtingen verschaft over de oorsprong, de identificatie en, in voorkomend geval, de bestemming van de dieren die hij heeft bezeten, gehouden, vervoerd, in de handel gebracht of geslacht;
b) elke houder van dieren die van of naar een markt of verzamelplaats worden vervoerd, een document met gegevens over de dieren, waaronder de identificatienummers of -merktekens van de runderen, overlegt aan de marktdeelnemer die op de markt of verzamelplaats tijdelijk houder is van de dieren.
Deze marktdeelnemer kan de overeenkomstig de eerste alinea verkregen documenten gebruiken om te voldoen aan het bepaalde in lid 1, onder a), derde alinea;
c) deze registers en gegevens beschikbaar zijn op het bedrijf en desgevraagd ter beschikking van de bevoegde autoriteit worden gehouden gedurende een door die autoriteit vast te stellen minimumperiode van ten minste drie jaar.