Art. 7 Richtlijn 92/61/EEG

Richtlijn 92/61/EEG

1. Voor elk overeenkomstig het goedgekeurde type gebouwd voertuig wordt door de fabrikant een certificaat van overeenstemming opgesteld waarvan het model in bijlage IV, onder A, is opgenomen. De Lid-Staten mogen evenwel verlangen dat in verband met de heffing van de motorrijtuigenbelasting of de opstelling van het kentekenbewijs andere dan de in bijlage IV, onder A, bedoelde inlichtingen op het certificaat van overeenstemming worden opgenomen, op voorwaarde dat deze uitdrukkelijk op het inlichtingenformulier staan vermeld.

2. Voor de overeenkomstig het goedgekeurde type vervaardigde, niet-originele technische eenheden of onderdelen wordt door de fabrikant een certificaat van overeenstemming opgesteld waarvan het model in bijlage IV, onder B, is opgenomen. Dit certificaat is niet vereist voor de originele technische eenheden of onderdelen.

3. Wanneer een goed te keuren technische eenheid of onderdeel zijn of haar functie slechts vervult of een bijzonder kenmerk slechts vertoont in samenhang met andere onderdelen van het voertuig en bijgevolg de naleving van een of meer voorschriften slechts kan worden gecontroleerd indien de goed te keuren technische eenheid of het goed te keuren onderdeel in samenhang met andere gesimuleerde of echte onderdelen van het voertuig functioneert, moet de draagwijdte van de goedkeuring van deze technische eenheid of van dit onderdeel dienovereenkomstig worden beperkt. Op het goedkeuringscertificaat voor deze technische eenheid of voor dit onderdeel worden dan de eventuele beperkingen van het gebruik en de montagevoorschriften vermeld. Bij de goedkeuring van het voertuig wordt nagegaan of deze beperkingen en voorschriften in acht zijn genomen.

4. Onverminderd het bepaalde in lid 2 is de houder van een overeenkomstig artikel 4 verleende goedkeuring van een technische eenheid of onderdeel verplicht op alle overeenkomstig het goedgekeurde type vervaardigde technische eenheden en onderdelen zijn fabrieks- of handelsmerk, de typeaanduiding en, indien dit in de bijzondere richtlijn wordt voorgeschreven, het in artikel 8 bedoelde goedkeuringsmerk aan te brengen. In het laatste geval is hij niet verplicht het in lid 2 bedoelde certificaat op te stellen.

5. De houder van een goedkeuringscertificaat waarin overeenkomstig lid 3 beperkingen van het gebruik zijn opgenomen, dient over deze beperkingen bij alle vervaardigde technische eenheden en onderdelen uitvoerige inlichtingen te verstrekken en de eventuele montagevoorschriften te vermelden.

6. De houder van een in verband met een of meer voertuigtypes afgegeven goedkeuring voor een niet-originele technische eenheid, dient bij ieder van deze technische eenheden uitvoerige inlichtingen te verstrekken die het mogelijk maken deze voertuigen te identificeren.