Art. 10 Richtlijn 92/61/EEG
1. Indien de Lid-Staat die de goedkeuring heeft verleend, vaststelt dat voertuigen, technische eenheden of onderdelen niet met het door hem goedgekeurde type overeenstemmen, neemt hij de nodige maatregelen ten einde de produktie weer met het goedgekeurd type in overeenstemming te brengen. De bevoegde instanties van deze Lid-Staat stellen de bevoegde instanties van de overige Lid-Staten in kennis van de genomen maatregelen, die eventueel zelfs intrekking van de goedkeuring kunnen inhouden.
2. Indien een Lid-Staat vaststelt dat voertuigen, technische eenheden of onderdelen niet overeenstemmen met het goedgekeurde type, kan deze Lid-Staat aan de Lid-Staat die de goedkeuring heeft verleend, verzoeken de vastgestelde verschillen te controleren. De Lid-Staat die de goedkeuring heeft verleend, voert binnen zes maanden na ontvangst van dit verzoek de gevraagde controle op de overeenstemming van de produktie uit. Indien een gebrek aan overeenstemming wordt vastgesteld, nemen de bevoegde instanties van de Lid-Staat die de goedkeuring heeft verleend, de in lid 1 bedoelde maatregelen.
3. De bevoegde instanties van de Lid-Staten stellen elkaar binnen één maand van de intrekking van een goedkeuring en van de redenen daarvoor in kennis.
4. Indien de Lid-Staat die de goedkeuring heeft verleend, het hem ter kennis gebrachte gebrek aan overeenstemming betwist, trachten de betrokken Lid-Staten het geschil op te lossen. De Commissie wordt op de hoogte gehouden. Zij pleegt voor zover nodig overleg om tot een oplossing te komen.