Art. 15 Richtlijn 92/61/EEG

Richtlijn 92/61/EEG

1. De Lid-Staten mogen het in de handel brengen, de verkoop, het in het verkeer brengen en het gebruik van nieuwe, aan de bepalingen van deze richtlijn beantwoordende voertuigen niet verbieden. Slechts aan de bepalingen van deze richtlijn beantwoordende voertuigen mogen worden toegelaten.

2. De Lid-Staten mogen het in de handel brengen, de verkoop en het gebruik van nieuwe technische eenheden of onderdelen die aan de bepalingen van deze richtlijn beantwoorden, niet verbieden. Slechts aan de bepalingen van deze richtlijn beantwoordende technische eenheden en onderdelen mogen in de handel worden gebracht of voor de eerste keer worden verkocht om in de Lid-Staten te worden gebruikt.

3. De specifieke eisen die van toepassing zijn op de in artikel 1, lid 3, eerste alinea, onder b), bedoelde voertuigen, worden bepaald volgens de procedure van artikel 16.

Zolang dit niet is gebeurd, mogen de Lid-Staten hun nationale wetgevingen inzake deze voertuigen handhaven.

4. In afwijking van de leden 1 en 2:

a) mogen de Lid-Staten die voor bromfietsen in hun nationale wetgeving bijzondere voorschriften hebben betreffende de aanwezigheid van pedalen, het overbrengingssysteem en de massagrens, deze voorschriften blijven toepassen gedurende een periode van ten hoogste drie jaar vanaf het tijdstip waarop deze richtlijn van toepassing wordt;

b) mogen de Lid-Staten van een of meer voorschriften van de bijzondere richtlijnen ontheffing verlenen voor voertuigen, technische eenheden of onderdelen die:

- hetzij in kleine series van ten hoogste 200 exemplaren per jaar en per voertuigtype of per type onderdeel of per type technische eenheid worden geproduceerd;

- hetzij voor het leger, de ordehandhavingsdiensten, de bescherming burgerbevolking of openbare werken zijn bestemd.

De overige Lid-Staten moeten binnen één maand nadat zij zijn verleend, van deze ontheffingen in kennis worden gesteld;

c) blijven de nationale goedkeuringen die de Lid-Staten hebben verleend vóór het tijdstip waarop deze richtlijn of de bijzondere richtlijnen betreffende de corresponderende nationale voorschriften van toepassing worden, op hun grondgebied geldig voor een periode van ten hoogste vier jaar met ingang van de datum waarop de nationale wetgevingen door deze richtlijn of door de corresponderende bijzondere richtlijnen worden vervangen.

Dezelfde periode van vier jaar geldt eveneens voor de types voertuigen, technische eenheden of onderdelen die in overeenstemming zijn met de nationale voorschriften die van kracht waren vóór het van toepassing worden van deze richtlijn of van de bijzondere richtlijnen, in de Lid-Staten die andere wettelijke stelsels dan dat van de goedkeuring toepasten.

De voertuigen waarop deze afwijking van toepassing is, mogen gedurende deze periode in de handel worden gebracht, worden verkocht en in het verkeer worden gebracht; het gebruik van deze voertuigen wordt niet in de tijd beperkt.

Het in de handel brengen, de verkoop en het gebruik van technische eenheden en van onderdelen, die voor de voertuigen zijn bestemd, wordt niet in de tijd beperkt.

5. Deze richtlijn laat de bevoegdheid van de Lid-Staten onverlet om, met inachtneming van het Verdrag, de voorschriften vast te stellen die zij noodzakelijk achten om de gebruikers bij het gebruik van de betrokken voertuigen de nodige bescherming te bieden, voor zover dit geen wijzigingen van de voertuigen met zich brengt.