Art. 4 Richtlijn 90/684/EEG, Aan contracten gekoppelde produktiesteun
1. Produktiesteun ten behoeve van de scheepsbouw of -verbouwing kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits het totale bedrag van de steun voor een bepaald contract in subsidie-equivalent niet meer bedraagt dan een gemeenschappelijk steunplafond, uitgedrukt in een percentage van de waarde van het contract vóór de steun, hierna "plafond" genoemd.
2. Het plafond wordt door de Commissie vastgesteld aan de hand van het tussen de kosten van de meest concurrerende scheepswerven van de Gemeenschap en de prijzen van de belangrijkste internationale concurrenten bestaande verschil, in het bijzonder gelet op de marktsegmenten waarin de scheepswerven van de Gemeenschap relatief het meest concurrerend blijven.
De Commissie ziet er evenwel in het bijzonder op toe dat de steun voor de bouw van kleine gespecialiseerde vaartuigen, met name van kleine schepen waarbij de waarde van het contract minder dan 10 miljoen ecu bedraagt, welk marktsegment normaliter door kleine werven wordt ingenomen en waarbij de mededinging hoofdzakelijk binnen Europa speelt, zo laag mogelijk wordt gehouden, met dien verstande dat met de bijzondere situatie in Griekenland rekening wordt gehouden.
Deze bepaling is eveneens van toepassing op alle soorten scheepsverbouwing, ongeacht de waarde van het contract.
3. Het plafond wordt herzien om de twaalf maanden, of met kortere tussenpozen, wanneer uitzonderlijke omstandigheden zulks vereisen, met de bedoeling het plafond geleidelijk te verlagen. Bij het herzien van het plafond ziet de Commissie erop toe dat er zich geen concentraties van scheepsbouwactiviteiten in bepaalde marktsegmenten voordoen die door de omvang ervan tegen de belangen van de Gemeenschap kunnen indruisen. Het voor een contract geldende steunplafond is het op de datum van ondertekening van het definitieve contract geldende plafond. Deze regel geldt echter niet voor schepen die meer dan drie jaar na de datum van ondertekening van het definitieve contract worden opgeleverd. In die gevallen geldt het plafond dat drie jaar vóór de opleveringsdatum van het schip van toepassing was.
De Commissie kan de in de eerste alinea genoemde termijn van drie jaar verlengen wanneer dit gerechtvaardigd is wegens het technisch ingewikkelde karakter van het betrokken scheepsbouwproject of wegens vertragingen als gevolg van onverwachte, aanzienlijke en aantoonbare verstoringen met betrekking tot het werkprogramma van een scheepswerf.
4. Het plafond is niet alleen van toepassing op alle vormen van rechtstreekse produktiesteun aan de scheepswerven, ongeacht of deze in het kader van sectoriële, algemene of regionale steunregelingen wordt verleend, maar ook op de in artikel 3, lid 2, bedoelde steun.
5. De op grond van de onderscheiden regelingen verleende steun mag in totaal het overeenkomstig lid 2 vastgestelde plafond niet overschrijden ; steunverlening in afzonderlijke gevallen vereist noch kennisgeving vooraf aan, noch goedkeuring door de Commissie.
Wanneer evenwel met betrekking tot een bepaald contract concurrentie tussen scheepswerven van verscheidene Lid-Staten bestaat, eist de Commissie op verzoek van een Lid-Staat dat vooraf van de betrokken steunvoornemens kennis wordt gegeven. In die gevallen neemt de Commissie binnen 30 dagen na de kennisgeving een besluit ; zulke steunvoornemens mogen niet worden uitgevoerd alvorens de Commissie haar goedkeuring heeft gegeven. Bij het nemen van haar besluit vergewist de Commissie zich ervan dat de voorgenomen steun het handelsverkeer niet beïnvloedt in een mate die het gemeenschappelijk belang schaadt.
6. Steun in de vorm van kredietfaciliteiten voor scheepsbouw of -verbouwing, die in overeenstemming zijn met de resolutie van de OESO-raad van 3 augustus 1981 (overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen) of met een in de plaats van deze resolutie tredende overeenkomst, wordt voor het plafond niet meegerekend. Deze steun kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, op voorwaarde dat zij met bovengenoemde resolutie of met een daarvoor in de plaats tredende overeenkomst strookt.
7. Steun voor scheepsbouw of -verbouwing die in de vorm van ontwikkelingshulp aan een ontwikkelingsland wordt verleend, is niet aan het plafond onderworpen. Deze steun kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd als zij in overeenstemming is met de bepalingen die OESO-werkgroep nr. 6 met het oog daarop heeft opgenomen in haar akkoord over de uitlegging van de artikelen 6, 7 en 8 van de in lid 6 genoemde OESO-overeenkomst, of met een later addendum bij of corrigendum op genoemde overeenkomst.
Elk afzonderlijk steunvoornemen van dien aard moet vooraf aan de Commissie worden medegedeeld. De Commissie gaat de bijzondere ontwikkelingscomponent van het steunvoornemen na en vergewist zich ervan dat deze steun onder de werkingssfeer van het in de eerste alinea genoemde akkoord valt.