ABRvS 21 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA1807
Gemeenschapsonderdaan / Richtlijn 2004/38/EG Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat de minister met juistheid het standpunt heeft ingenomen dat appellante in het kader van de onderhavige aanvraag niet als gemeenschapsonderdaan kon worden aangemerkt, zodat het bepaalde in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 niet op haar aanvraag van toepassing is. In 2004 verbleef appellante één maand met haar echtgenoot in Frankrijk. Appellante heeft niet aangetoond dat haar echtgenoot gedurende die maand reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht en derhalve in de hoedanigheid van werknemer gebruik heeft gemaakt van het recht op het vrije verkeer van werknemers. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat hij gebruik heeft gemaakt van het kortdurend verblijfsrecht, als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 2004/38/EG. Overwogen wordt voorts dat niet is gebleken dat appellante heeft beoogd in Frankrijk een zeker verblijf te bewerkstelligen. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat, en dit is tussen partijen ook niet in geschil, appellante bij aankomst in Frankrijk wel een verblijfsvergunning bij de Franse autoriteiten heeft aangevraagd, maar deze aanvraag niet tot een beslissing heeft geleid, omdat zij niet op uitnodigingen van de autoriteiten heeft gereageerd. Onder die omstandigheden is het buiten tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat appellante door dit kortdurend verblijf met haar echtgenoot in Frankrijk na terugkeer in Nederland aan artikel 6 van richtlijn 2004/38/EG aanspraak kon ontlenen op rechtmatig verblijf voor lange duur of op vrijstelling van de op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voor langdurig verblijf vereiste mvv. Daarbij wordt nog in aanmerking genomen dat geen aanleiding bestaat de prejudiciële beslissing van het Hof op door de Afdeling bij uitspaak van 13 juli 2005 in zaak no. 200409356/1 voorgelegde vragen (www.raadvanstate.nl en JV 2005/330) af te wachten, nu de feiten in de onderhavige zaak zozeer anders zijn dat het antwoord van het Hof op die vragen voor deze zaak niet van betekenis zullen zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl