Art. 7 Richtlijn 89/48/EEG

Richtlijn 89/48/EEG

1. De bevoegde autoriteit van de ontvangende Lid-Staat kent aan onderdanen van de Lid-Staten die aan de voorwaarden voor toegang tot en uitoefening van een gereglementeerd beroep op het grondgebied van de ontvangende Lid-Staat voldoen, het recht toe om de beroepstitel van de ontvangende Lid-Staat te voeren die met dat beroep overeenkomt.

2. De bevoegde autoriteit van de ontvangende Lid-Staat kent aan de onderdanen van de Lid-Staten die aan de voorwaarden voor toegang tot en de uitoefening van een gereglementeerde beroepsactiviteit op het grondgebied van de ontvangende Lid-Staat voldoen, het recht toe om van hun wettige, in de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst gevoerde opleidingstitel en eventueel van de afkorting daarvan, in de taal van deze Staat gebruik te maken. De ontvangende Lid-Staat kan voorschrijven dat deze titel wordt gevolgd door de naam en de plaats van de instelling of de examencommissie die deze heeft verleend.

3. Indien een beroep in de ontvangende Lid-Staat is gereglementeerd door een vereniging of organisatie als bedoeld in artikel 1, onder d), mogen de onderdanen van de Lid-Staten de door die organisatie of vereniging verleende beroepstitel of de afkortingen daarvan uitsluitend gebruiken indien zij het bewijs overleggen dat zij lid van die organisatie of vereniging zijn.

Indien de vereniging of organisatie het lidmaatschap afhankelijk stelt van bepaalde kwalificaties, mag zij deze kwalificaties van onderdanen van andere Lid-Staten, die beschikken over een diploma als bedoeld in artikel 1, onder a), dan wel een opleidingstitel in de zin van artikel 3, onder b), slechts eisen overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn, inzonderheid de artikelen 3 en 4.