Art. 6 Richtlijn 89/48/EEG

Richtlijn 89/48/EEG

1. De bevoegde autoriteit van de ontvangende Lid-Staat die de toegang tot een gereglementeerd beroep afhankelijk stelt van de overlegging van een bewijs van goed zedelijk gedrag, of een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene nooit failliet is gegaan of die de uitoefening van een dergelijk beroep in geval van ernstige fouten bij de beroepsuitoefening of strafbare overtreding opschort of verbiedt, aanvaardt als voldoende bewijs voor onderdanen van de Lid-Staten die dit beroep op het grondgebied van de ontvangende Lid-Staat willen uitoefenen, de overlegging van documenten die door bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst zijn afgegeven en waaruit blijkt dat aan die eisen wordt voldaan.

Wanneer de in de eerste alinea bedoelde documenten niet worden afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst worden deze vervangen door een verklaring onder ede - of, in de Lid-Staten waar de eed niet bestaat, door een plechtige verklaring - welke door de betrokkene wordt afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of administratieve instantie, of, in voorkomend geval, van een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst, welke een attest afgeeft dat deze eed of deze plechtige verklaring bewijskracht heeft.

2. Wanneer de bevoegde autoriteit van de ontvangende Lid-Staat van de onderdanen van deze Lid-Staat voor de toegang tot een gereglementeerd beroep op de uitoefening daarvan een document betreffende hun lichamelijke of geestelijke gezondheid eist, aanvaardt zij als voldoende bewijs dienaangaande het document dat in de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst vereist is.

Wanneer de Lid-Staat van oorsprong of herkomst voor de toegang tot of de uitoefening van het betrokken beroep geen document van deze aard verlangt, aanvaardt de ontvangende Lid-Staat van de onderdanen van de Lid-Staat van oorsprong of herkomst een door een bevoegde autoriteit van laatstgenoemde Staat afgegeven, met de verklaringen van de ontvangende Lid-Staat overeenstemmende verklaring.

3. De bevoegde autoriteit van de ontvangende Lid-Staat kan eisen dat de in de leden 1 en 2 bedoelde documenten en attesten bij overlegging niet ouder dan drie maanden zijn.

4. Wanneer de bevoegde autoriteit van de ontvangende Lid-Staat van de onderdanen van deze Lid-Staat voor de toegang tot een gereglementeerd beroep of de uitoefening daarvan een eed of een plechtige verklaring eist, en ingeval het formulier van die eed of die verklaring niet door onderdanen van andere Lid-Staten kan worden gebruikt, zorgt zij ervoor dat de betrokkenen een aangepast en gelijkwaardig formulier ter beschikking kan worden gesteld.