Art. 4 Richtlijn 89/48/EEG

Richtlijn 89/48/EEG

1. Artikel 3 belet niet dat de ontvangende Lid-Staat van de aanvrager eveneens verlangt:

a) dat hij beroepservaring aantoont, wanneer de duur van de opleiding waarvan hij melding maakt, krachtens artikel 3, onder a) en b), ten minste één jaar korter is dan die welke in de ontvangende Lid-Staat vereist is. In dat geval mag de duur van de vereiste beroepservaring niet meer bedragen dan:

- het dubbele van de ontbrekende opleidingsperiode, wanneer deze periode betrekking heeft op een post-secundaire studiecyclus en/of op een onder toezicht van een stageleider met succes gevolgde en met een examen afgesloten beroepsstage;

- de ontbrekende opleidingsperiode, wanneer deze periode betrekking heeft op een met bijstand van een geschoolde beroepsbeoefenaar opgedane praktijkervaring in het beroep.

Bij diploma's in de zin van artikel 1, onder a), laatste alinea, wordt de duur van de als gelijkwaardig erkende opleiding berekend aan de hand van de in artikel 1, onder a), eerste alinea, gedefinieerde opleiding.

Bij de toepassing van het bepaalde onder a) moet rekening worden gehouden met de in artikel 3, onder b), bedoelde beroepservaring.

De duur van de verlangde beroepservaring mag in geen geval meer dan vier jaar bedragen;

b) dat hij een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar volbrengt of een proeve van bekwaamheid aflegt:

- wanneer de door hem ontvangen opleiding volgens artikel 3, onder a) en b), betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door het in de ontvangende Lid-Staat voorgeschreven diploma, of

- wanneer, in het in artikel 3, onder a), bedoelde geval, het in de ontvangende Lid-Staat gereglementeerde beroep een of meer gereglementeerde beroepsactiviteiten omvat die niet bestaan in het beroep dat gereglementeerd is in de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst van de aanvrager, en dit verschil gekenmerkt wordt door een specifieke opleiding die in de ontvangende Lid-Staat vereist is en betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door het diploma waarnaar de aanvrager verwijst, of

- wanneer, in het in artikel 3, onder b), bedoelde geval, het in de ontvangende Lid-Staat gereglementeerde beroep een of meer gereglementeerde beroepsactiviteiten omvat die niet bestaan in het beroep dat de aanvrager in de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst heeft uitgeoefend, en dit verschil gekenmerkt wordt door specifieke opleiding die in de ontvangende Lid-Staat vereist is en betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door de titel(s) waarnaar de aanvrager verwijst.

Indien de ontvangende Lid-Staat van deze mogelijkheid gebruik maakt, moet hij de aanvrager het recht laten om te kiezen tussen een aanpassingsstage en een proeve van bekwaamheid. Voor beroepen voor de uitoefening waarvan een precieze kennis van het nationale recht vereist is en waarvoor het verstrekken van adviezen en/of verlenen van bijstand op het gebied van het nationale recht een wezenlijk en vast onderdeel van de uitoefening van beroepsactiviteit is, kan de ontvangende Lid-Staat, in afwijking van dit beginsel, ofwel een aanpassingsstage, ofwel een proeve van bekwaamheid voorschrijven. Wanneer de ontvangende Lid-Staat voor andere beroepen uitzonderingen op het keuzerecht van de aanvrager wenst in te voeren, is de procedure van artikel 10 van toepassing.

2. De ontvangende Lid-Staat mag evenwel de bepalingen van lid 1, onder a) en b), niet cumulatief toepassen. Artikel 5

Onverminderd de artikelen 3 en 4 kan elke ontvangende Lid-Staat de aanvrager, ten einde zijn mogelijkheden te verbeteren om zich aan het beroepsleven in die Staat aan te passen, toestaan aldaar, op basis van gelijkwaardigheid, het deel van de beroepsopleiding te volgen dat bestaat uit praktijkervaring in het beroep, verkregen met de bijstand van een geschoolde beroepsbeoefenaar, en dat hij niet heeft gevolgd in de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst.