Art. 47
1. De restitutie wordt slechts op schriftelijk verzoek van de exporteur betaald door de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld. De Lid-Staten kunnen daartoe een specifiek formulier invoeren.
2. Het dossier voor de betaling van de restitutie of het vrijgeven van de zekerheid moet, behalve in geval van overmacht, worden ingediend binnen twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard.
3. Wanneer het in artikel 6 bedoelde controle-exemplaar T5 als gevolg van omstandigheden die niet aan de exporteur zijn toe te rekenen, niet binnen een termijn van drie maanden na afgifte bij het kantoor van vertrek of bij de centraliserende instantie is terugontvangen, kan de exporteur bij de bevoegde instantie een met redenen omkleed en van bewijsstukken vergezeld verzoek indienen om andere bewijsstukken als gelijkwaardig te erkennen.
De bij dit verzoek over te leggen bewijsstukken zijn:
a)wanneer als bewijs dat de produkten het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, een controle- exemplaar is afgegeven:
-het vervoerdocument, en -een document waaruit blijkt dat het produkt bij een douanekantoor van een derde land is aangeboden of een of meer van de in artikel 18, leden 1, 2 en 4, bedoelde documenten;
b)bij toepassing van 34, 38 of 42, een verklaring van het voor de controle op de betrokken bestemming bevoegde douanekantoor, waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor visering van het con-trole-exemplaar door dat kantoor is voldaan.
De in lid 4 vastgestelde bepalingen zijn voor het leveren van een gelijkwaardig bewijs van toepassing.
4. Wanneer de op grond van artikel 18 vereiste documenten niet binnen de in lid 2 voorgeschreven termijn kunnen worden overgelegd, kunnen de exporteur, wanneer hij zich de nodige moeite heeft gegeven om de documenten binnen die termijn te verkrijgen en mede te delen, bijkomende termijnen worden toegestaan om deze documenten over te leggen.
5. Het in lid 3 bedoelde verzoek, al dan niet vergezeld van bewijsstukken, en het in lid 4 bedoelde verzoek om bijkomende termijnen, moeten binnen de in lid 2 bedoelde termijn worden ingediend.
6. Bij toepassing van artikel 35 moet, behoudens overmacht, het dossier voor de betaling van de restitutie worden ingediend binnen twaalf maanden na de maand waarin de produkten aan boord zijn gebracht; in het kader van de in artikel 35, lid 1, bedoelde toestemming kan de exporteur evenwel worden verplicht om de betalingsaanvraag binnen een kortere termijn in te dienen.
7. De bevoegde diensten van een Lid-Staat kunnen verlangen dat alle documenten van het dossier voor de betaling van de restitutie in de officiële taal of in een van de officiële talen van deze Lid-Staat worden vertaald.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 17 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:107
- CBb 17 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:119
- CBb 17 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:118
- CBb 17 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:111
- CBb 17 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:110
- CBb 17 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:108
- CBb 10 december 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG8411
- CBb 1 december 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG8049
- CBb 9 november 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AZ2235
- CBb 18 oktober 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AZ1509
- CBb 25 juni 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AQ9856
- CBb 24 januari 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF4116
- CBb 8 november 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AF1197