Art. 41 Verordening (EEG) nr. 3665/87

Verordening (EEG) nr. 3665/87

1. De bevoegde instanties van de Lid-Staat waar het bevoorradingsdepot zich bevindt, verrichten ten minste eenmaal per twaalf maanden een materiële controle op de in dit bevoorradingsdepot opgeslagen produkten.

Indien de inslag van de produkten in en de uitslag uit het bevoorradingsdepot evenwel onder permanente materiële controle van de douanediensten plaatsvinden, is het voldoende dat de bevoegde instanties op de produkten die zich in opslag bevinden een administratieve controle uitoefenen.

2. De bevoegde instanties van de Lid-Staat van opslag kunnen toestaan dat de produkten naar een tweede bevoorradingsdepot worden overgebracht.

In dit geval wordt in het register van het eerste bevoorradingsdepot een vermelding betreffende het tweede bevoorradingsdepot aangebracht. Het tweede bevoorradingsdepot en de tweede depothouder moeten voor de toepassing van het ten aanzien van het bevoorradingsdepot bepaalde eveneens speciaal zijn erkend.

Wanneer de produkten in het tweede bevoorradingsdepot onder controle zijn geplaatst, komen de bij toepassing van artikel 40 te betalen bedragen voor rekening van de tweede depothouder.

3. Wanneer het tweede bevoorradingsdepot niet in dezelfde Lid-Staat is gelegen als het eerste, wordt het bewijs dat de produkten in het tweede depot zijn opgeslagen geleverd door middel van het origineel van het controle-exemplaar T5 als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2823/87, waarop een van de in artikel 39, lid 2, aangegeven vermeldingen voorkomt.

Het bevoegde douanekantoor van de Lid-Staat van bestemming bevestigt de opslag op het controle-exemplaar na te hebben nagegaan of de produkten in het in artikel 38, lid 2, bedoelde register zijn ingeschreven.

4. Wanneer de produkten na opslag in een bevoorradingsdepot in een andere Lid-Staat aan boord worden gebracht dan in die van opslag, wordt het bewijs dat de goederen aan boord zijn gebracht, volgens de procedure van artikel 37, lid 3, geleverd.