Art. 6 Verordening (EEG) nr. 2241/87

Verordening (EEG) nr. 2241/87

1. Bij de aanvoer na iedere reis verstrekt de kapitein van een vissersvaartuig dat een lengte heeft van meer dan 10 meter en dat de vlag van een Lid-Staat voert of in een Lid-Staat is geregistreerd, of diens gemachtigde, aan de autoriteiten van de Lid-Staat waarvan hij de losplaatsen gebruikt, een verklaring voor de juistheid waarvan in de eerste plaats de kapitein verantwoordelijk is en waarin hij ten minste voor ieder bestand of iedere groep bestanden waarvoor een TAC of quotum geldt, de aangevoerde hoeveelheden vermeldt onder opgave van de vangstplaats met verwijzing naar de kleinste zone waarvoor een TAC of quotum is vastgesteld en wordt beheerd. Ingeval de vangsten hebben plaatsgevonden in wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een derde land vallen, dient deze informatie afzonderlijk te worden opgenomen met verwijzing naar de wateren van elk van de betrokken derde landen.

2. De Lid-Staten treffen de maatregelen die nodig zijn om de juistheid van de uit hoofde van lid 1 verstrekte verklaringen na te gaan.

Vorige artikelen

Volgende artikelen