Art. 8 Verordening (EEG) nr. 3821/85
1. Indien de Lid-Staat die de in artikel 5 bedoelde EEG-goedkeuring heeft verleend, vaststelt dat controleapparaten of registratiebladen, voorzien van het door hem toegekende EEG-goedkeuringsmerk, niet overeenstemmen met het door hem goedgekeurde model, neemt hij de nodige maatregelen ten einde te bewerkstelligen dat de produktie overeenstemt met het goedgekeurde model. Onder deze maatregel kan eventueel de intrekking van de EEG-goedkeuring vallen.
2. De Lid-Staat die een EEG-goedkeuring heeft verleend, moet deze intrekken indien het goedgekeurde controleapparaat of registratieblad geacht wordt niet overeen te stemmen met deze verordening en de bijlagen daarvan of bij het gebruik een gebrek van algemene aard vertoont waardoor het ongeschikt wordt voor het doel waarvoor het is bestemd.
3. Indien de Lid-Staat die een EEG-goedkeuring heeft verleend, door een andere Lid-Staat in kennis wordt gesteld van het bestaan van een van de gevallen, bedoeld in de leden 1 en 2, neemt hij na overleg met deze Lid-Staat eveneens de in die leden bedoelde maatregelen, behoudens lid 5.
4. De Lid-Staat die het bestaan van een der in lid 2 bedoelde gevallen heeft vastgesteld, kan het in de handel brengen en het in gebruik nemen van de controleapparaten of de registratiebladen tot nader aankondiging opschorten. Hetzelfde geldt in de gevallen als bedoeld in lid 1 voor controleapparaten of registratiebladen die van de eerste EEG-ijking zijn vrijgesteld, indien de fabrikant na ontvangen waarschuwing deze niet in overeenstemming brengt met het goedgekeurde model of met de voorschriften van deze verordening. In alle gevallen lichten de bevoegde instanties van de Lid-Staten elkaar en de Commissie binnen een maand over het intrekken van een verleende EEG-goedkeuring of andere overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 getroffen maatregelen in, alsmede over de redenen die hiertoe hebben geleid.
5. Indien de Lid-Staat die de EEG-goedkeuring heeft verleend, het bestaan van de in de leden 1 en 2 bedoelde gevallen betwist, trachten de betrokken Lid-Staten het geschil bij te leggen. De Commissie wordt op de hoogte gehouden.
Indien de betrokken Lid-Staten er niet in zijn geslaagd tot overeenstemming te komen binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van de in lid 3 bedoelde kennisgeving, geeft de Commissie, na raadpleging van de deskundigen van alle Lid-Staten en na bestudering van alle daarop betrekking hebbende factoren, zoals bij voorbeeld de economische en de technische, binnen een termijn van zes maanden een beschikking, die ter kennis wordt gebracht van de betrokken Lid-Staten en tegelijkertijd aan de andere Lid-Staten wordt medegedeeld. De Commissie stelt van geval tot geval de termijn voor het van toepassing worden van haar beschikking vast.