Art. 3 Verordening (EEG) nr. 3821/85

Verordening (EEG) nr. 3821/85

1. Het controleapparaat moet zijn geïnstalleerd en worden gebruikt in voertuigen die bestemd zijn voor het vervoer over de weg van personen of van goederen, en die in een Lid-Staat zijn ingeschreven, met uitzondering van de in artikel 4 en artikel 14, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3820/85 bedoelde voertuigen.

2. De Lid-Staten mogen de in artikel 13, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3820/85 bedoelde voertuigen van de toepassing van deze verordening vrijstellen. De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van alle krachtens dit lid verleende vrijstellingen.

3. De Lid-Staten kunnen, na machtiging door de Commissie, voertuigen die bestemd zijn voor het in artikel 13, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3820/85 bedoelde vervoer van de toepassing van deze verordening vrijstellen. In dringende gevallen kunnen zij voor een periode van ten hoogste 30 dagen een tijdelijke vrijstelling verlenen, die onmiddellijk ter kennis van de Commissie wordt gebracht. De Commissie brengt elke krachtens dit lid toegestane vrijstelling ter kennis van de andere Lid-Staten.

4. De Lid-Staten kunnen voor binnenlands vervoer eisen dat een controleapparaat wordt geïnstalleerd en gebruikt in overeenstemming met deze verordening in alle voertuigen waarvoor de installatie en het gebruik daarvan niet is vereist op grond van lid 1 van dit artikel.

Uitspraken die dit artikel aanhalen