Art. 6 Verordening (EEG) nr. 3820/85
1. De totale rijtijd tussen twee dagelijkse rusttijden of tussen een dagelijkse rusttijd en een wekelijkse rusttijd, hierna »dagelijkse rijtijd" te noemen, mag niet meer bedragen dan 9 uur. Hij mag tweemaal in de loop van één week verlengd worden tot 10 uur.
De bestuurder dient na een maximum van zes van deze dagelijkse rijtijden een wekelijkse rusttijd in acht te nemen zoals bepaald in artikel 8, lid 3.
De wekelijkse rusttijd kan naar het einde van de zesde dag worden verschoven, indien de totale rijtijd tijdens de zes dagen niet meer bedraagt dan het maximum dat overeenkomt met zes dagelijkse rijtijden.
In het geval van het internationaal personenvervoer op andere dan geregelde diensten, wordt in de tweede en derde alinea »zes" respectievelijk »zesde" vervangen door »twaalf" respectievelijk »twaalfde".
De Lid-Staten kunnen de vorige alinea ook toepassen op het nationale personenvervoer op hun grondgebied op andere dan geregelde diensten.
2. De totale rijtijd mag niet meer bedragen dan 90 uur per periode van twee opeenvolgende weken.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7106
- Conclusie A-G Machielse 20 juni 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AW2455
- Conclusie A-G Wortel 10 januari 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU7106
- Conclusie A-G Machielse 10 januari 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AU6282
- Conclusie A-G Jörg 22 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7573
- HR 10 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6282
- HR 22 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7573