Art. 5 Verordening (EEG) nr. 3820/85

Verordening (EEG) nr. 3820/85

1. De minimumleeftijd van bestuurders in het goederenvervoer wordt vastgesteld:

a) voor voertuigen waarvan het toegestane maximumgewicht, in voorkomend geval dat van de aanhangwagens of opleggers inbegrepen, ten hoogste 7,5 ton bedraagt, op 18 jaar;

b) voor de overige voertuigen, op:

- 21 jaar of

- 18 jaar, op voorwaarde dat de betrokkene een door een van de Lid-Staten erkend getuigschrift van vakbekwaamheid bij zich heeft waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een opleidingscursus voor bestuurder in het goederenvervoer over de weg heeft gevolgd overeenkomstig de communautaire voorschriften betreffende het minimumniveau van de opleiding van bestuurders in het wegvervoer.

2. Bestuurders in het personenvervoer moeten ten minste 21 jaar oud zijn.

Bestuurders in het personenvervoer op trajecten van meer dan een straal van 50 km rond de gebruikelijke standplaats van het voertuig, moeten eveneens aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

a) gedurende ten minste één jaar als bestuurder in het goederenvervoer werkzaam zijn geweest op voertuigen met een toegestaan maximumgewicht van meer dan 3,5 ton;

b) gedurende ten minste één jaar als bestuurder werkzaam zijn geweest in het personenvervoer op trajecten van minder dan een straal van 50 km rond de gebruikelijke standplaats van het voertuig, of in andere soorten van personenvervoer die niet onder deze verordening vallen, voor zover de bevoegde autoriteit aanvaardt dat zij op die wijze de vereiste ervaring hebben opgedaan;

c) een door een van de Lid-Staten erkend getuigschrift van vakbekwaamheid bij zich hebben waaruit blijkt dat hij met goed gevolg een opleidingscursus voor bestuurder in het personenvervoer over de weg heeft gevolgd overeenkomstig de communautaire voorschriften betreffende het minimumniveau van de opleiding van bestuurders in het wegvervoer.

3. De minimumleeftijd van bijrijders en conducteurs wordt vastgesteld op 18 jaar.

4. De bestuurders in het personenvervvoer zijn van de toepassing van de in lid 2, sub a), b) en c), bedoelde voorwaarden vrijgesteld wanneer zij vóór 1 oktober 1970 ten minste één jaar als zodanig werkzaam zijn geweest.

5. Elke Lid-Staat kan voor het nationale vervoer binnen een gebied met een straal van 50 km rondom de standplaats van het voertuig, met inbegrip van de gemeenten waarvan het centrum binnen deze straal ligt, de minimumleeftijd van de bijrijders terugbrengen tot 16 jaar, op voorwaarde dat zulks geschiedt met het oog op de beroepsopleiding en binnen de grenzen van de nationale arbeidswetgeving.