Art. 7 Verordening (EEG) nr. 1964/82
1. In afwijking van artikel 2, lid 3, en van artikel 4, lid 1, mogen de Lid-Staten, in plaats van de controle van de bevoegde instantie voor het uitbenen van de achtervoeten, voorzien in gepaste controlemaatregelen en met name dat:
- bij de afgifte van het attest bedoeld in artikel 2, lid 2, gepaste maatregelen worden genomen om door een onuitwisbaar merkteken de identificatie van elk door uitbening te verkrijgen deelstuk mogelijk te maken, en dat het nettogewicht van de achtervoeten wordt vermeld in vak 7 van dit attest;
- de voorschriften voor opmaak en verpakking worden vastgesteld en een omschrijving wordt gegeven van de verschillende door uitbening te verkrijgen deelstukken;
- de in artikel 5 bedoelde douaneformaliteiten voor al het uitgebeende vlees tegelijk worden vervuld binnen de in artikel 3 genoemde termijn;
- bij de vervulling van deze douaneformaliteiten één enkel »attest uitgebeend vlees", dat betrekking heeft op de toale hoeveelheid uitgebeend vlees, wordt overgelegd met het attest bedoeld in artikel 2, lid 2;
- de bevoegde instantie steekproefcontroles uitvoert in de lokalen waar het vlees wordt uitgebeend.
2. In afwijking van artikel 4, lid 2, mogen de Lid-Staten bepalen dat:
- het in artikel 2, lid 2, bedoelde attest niet via administratieve weg wordt toegezonden aan de instantie waaraan de betaling van de uitvoerrestituties is opgedragen,
- één enkel »attest uitgebeend vlees", dat betrekking heeft op de totale hoeveelheid uitgebeend vlees, wordt overgelegd met het attest bedoeld in artikel 2, lid 2,
- deze twee attesten tegelijkertijd worden overgelegd bij het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer,
- deze twee attesten tegelijkertijd worden toegezonden onder de in artikel 5, lid 3, vastgestelde voorwaarden.