Art. 20 Eerste Richtlijn 79/267/EEG
1. Het garantiefonds bestaat uit een derde deel van het in artikel 19 bedoelde minimum van de solvabiliteitsmarge . Het wordt onder voorbehoud van lid 2 tot ten minste 50 % gevormd door de bestanddelen , vermeld in artikel 18 , punten 1 en 2 .
2. a ) Het minimum van het garantiefonds bedraagt echter 800 000 rekeneenheden .
b) Iedere Lid-Staat kan bepalen dat het minimum van het garantiefonds voor onderlinge waarborgmaatschappijen , onderlinge verzekeringsmaatschappijen en tontinedeelgenootschappen tot 600 000 rekeneenheden wordt verminderd .
c) Iedere Lid-Staat kan de in artikel 3 , punt 2 , laatste streepje , tweede zin , bedoelde onderlinge waarborg - of verzekeringsmaatschappijen , zodra zij binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen , en tontinedeelgenootschappen , toestaan dat zij een garantiefonds van ten minste 100 000 rekeneenheden vormen , dat met achtereenvolgende tranches van 100 000 rekeneenheden geleidelijk op het sub b ) vastgestelde bedrag wordt gebracht , telkens wanneer de omvang van de ontvangen bijdragen met 500 000 rekeneenheden toeneemt .
d) Het sub a ) , b ) en c ) bedoelde minimum van het garantiefonds , moet worden gevormd door de in artikel 18 , punten 1 en 2 , genoemde bestanddelen .
3. De onderlinge waarborg - en verzekeringsmaatschappijen die in de zin van artikel 8 , lid 2 , of van artikel 10 , hun werkzaamheid wensen uit te breiden , kunnen dit slechts doen indien zij onmiddellijk voldoen aan de eisen van lid 2 , sub a ) en b ) , van dit artikel .