Art. 18 Eerste Richtlijn 79/267/EEG

Eerste Richtlijn 79/267/EEG

Iedere Lid-Staat verplicht elke onderneming waarvan het hoofdkantoor op zijn grondgebied is gevestigd , te beschikken over een voldoende solvabiliteitsmarge met betrekking tot het geheel van haar werkzaamheden .

De solvabiliteitsmarge bestaat :

1. uit het vermogen van de onderneming dat niet dient ter dekking van enige voorzienbare verplichting , na aftrek van de onlichamelijke bestanddelen ; dit vermogen omvat met name :

- het gestorte maatschappelijk kapitaal of , wat betreft de onderlinge waarborgmaatschappijen , c.q . onderlinge verzekeringsmaatschappijen , het gestorte waarborgkapitaal ,

- de helft van het niet-gestorte gedeelte van het maatschappelijk kapitaal of van het waarborgkapitaal , zodra het gestorte gedeelte 25 % van dit kapitaal bedraagt ,

- de wettelijke en vrije reserves die niet tegenover verplichtingen staan ,

- de overgebrachte winst ;

2. voor zover de nationale wetgeving het toestaat , uit de op de balans opgenomen winstreserves , wanneer deze kunnen worden gebruikt tot dekking van eventuele verliezen en wanneer zij niet toegekend zijn aan de polishouders .

3. op een met redenen omkleed verzoek van de onderneming bij de toezichthoudende autoriteit van de Lid-Staat op wiens grondgebied het hoofdkantoor is gevestigd , en met de instemming van deze autoriteit : a ) uit een bedrag dat 50 % vertegenwoordigt van de toekomstige winsten van de onderneming ; het bedrag van de toekomstige winsten wordt verkregen door de geschatte jaarwinst te vermenigvuldigen met een factor die de gemiddelde resterende looptijd van de overeenkomsten vertegenwoordigt ; deze factor mag ten hoogste 10 bedragen ; de geschatte jaarwinst is het rekenkundig gemiddelde van de winsten die de laatste vijf jaar zijn gemaakt op de in artikel 1 genoemde werkzaamheden .

De berekeningsgrondslagen voor de vermenigvuldigingsfactor van de geschatte jaarwinst en de bestanddelen van de gemaakte winst worden door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten in samenwerking met de Commissie in onderlinge overeenstemming vastgesteld . Tot op het tijdstip dat deze overeenstemming is bereikt , worden deze bestanddelen bepaald overeenkomstig de wetgeving van de Lid-Staat op wiens grondgebied de onderneming ( hoofdkantoor , agentschap of bijkantoor ) haar werkzaamheid uitoefent .

Nadat de bevoegde autoriteiten het begrip " gemaakte winst " hebben vastgesteld , zal de Commissie in het kader van een richtlijn betreffende de harmonisatie van de jaarrekeningen van verzekeringsondernemingen en houdende de coordinatie die vermeld is in artikel 1 , lid 2 , van Richtlijn 78/660/EEG ( 7 ) , voorstellen indienen voor de harmonisatie van dit begrip ;

b) in geval van niet-zillmeren of in geval van zillmeren waarbij de in de premie begrepen afsluitkosten niet worden bereikt , uit het verschil tussen de niet-gezillmerde of gedeeltelijk gezillmerde wiskundige voorziening en een gezillmerde wiskundige voorziening waarbij het percentage van het zillmeren gelijk is aan de in de premie begrepen afsluitkosten ; dit bedrag kan echter niet groter zijn dan 3,5 % van de som van de verschillen tussen de kapitalen van de branche " levensverzekering " en de wiskundige voorzieningen , voor alle overeenkomsten waarbij zillmeren mogelijk is ; dit verschil wordt eventueel verminderd met het bedrag van de niet afgeschreven afsluitkosten die als een debetpost worden opgenomen ;

c) indien de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken Lid-Staten op wier grondgebied de onderneming haar werkzaamheden uitoefent akkoord gaan , uit de latente meerwaarden welke voortvloeien uit een onderwaardering van de activa en een overwaardering van andere passiva dan de wiskundige voorzieningen , voor zover deze meerwaarden geen uitzonderlijk karakter hebben .

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen