Art. 2 Verordening (EEG) nr. 1078/77
1. Om voor de premie voor het niet in de handel brengen in aanmerking te komen , moet elke producent ten genoegen van de bevoegde instanties aantonen dat hij op zijn bedrijf nog een aantal melkkoeien houdt dat evenredig is aan de in het kalenderjaar 1976 geleverde hoeveelheid melk of het equivalent ervan in zuivelprodukten en dat hij nog steeds overeenkomstige hoeveelheden levert . Deze voorwaarde moet nog vervuld zijn op de datum waarop de aanvraag wordt goedgekeurd ; indien dit niet het geval is zal de premie , behalve in bepaalde nog vast te stellen speciale gevallen , dienovereenkomstig worden verminderd .
2. Toekenning van de premie voor het niet in de handel brengen is afhankelijk van de schriftelijke verbintenis van de producent om :
a) gedurende de periode van het riet in de handel brengen , geen melk of zuivelprodukten afkomstig van zijn bedrijf tegen betaling of gratis te leveren ,
b) vanaf de dag van indiening van de aanvraag tot het einde van de periode van het niet in de handel brengen
- niet toe te staan dat zijn bedrijf of een gedeelte ervan door derden wordt gebruikt voor de melkveehouderij ,
- zijn melkveebestand niet in pacht te geven en het niet tegen betaling of gratis aan derden toe te vertrouwen ,
- zijn melkveebestand niet van de hand te doen behalve voor slachting of voor uitvoer .
De periode waarin geen melk of zuivelprodukten in de handel mogen worden gebracht , duurt vijf jaar en begint uiterlijk aan het einde van de zesde maand na de datum waarop de aanvraag is goedgekeurd .
3. Producenten die hun bedrijf overeenkomstig Richtlijn 72/160/EEG ( 9 ) beëindigen na een periode van minstens twee jaar waarin zij geen melk of zuivelprodukten in de handel hebben gebracht , worden ontslagen van de in lid 2 bedoelde verplichtingen .
4. Producenten die hun bedrijf overeenkomstig Richtlijn 72/160/EEG beëindigen aan het einde van het derde jaar waarin geen melk of zuivelprodukten in de handel worden gebracht , worden ontslagen van de in lid 2 bedoelde verplichtingen . In dit geval wordt voor het derde jaar een bedrag van 37,5 % van de premie voor het niet in de handel brengen uitgekeerd zodra de op grond van de vorengenoemde richtlijn ingediende aanvraag is goedgekeurd en aan de bevoegde instantie het bewijs is geleverd dat het melkveebestand is geslacht .
5. In de in de leden 3 en 4 bedoelde gevallen dient geen enkel bedrag dat in het kader van de premieregeling voor het niet in de handel brengen is ontvangen , te worden terugbetaald . De betrokken producenten komen nadien niet meer in aanmerking voor de premie voor het niet in de handel brengen .