Art. 36 Tweede Richtlijn 77/91/EEG

Tweede Richtlijn 77/91/EEG

1. Wanneer de wetgeving van een Lid-Staat aan vennootschappen toestaat hun geplaatste kapitaal te verminderen door gedwongen intrekking van aandelen , moet worden voldaan aan ten minste de volgende voorwaarden :

a) de gedwongen intrekking moet zijn voorgeschreven of toegestaan door de statuten of de oprichtingsakte voor de plaatsing van de aandelen die moeten worden ingetrokken ;

b) indien de statuten of de oprichtingsakte de gedwongen intrekking slechts toestaan , moet hiertoe worden besloten door de algemene vergadering , tenzij de betrokken aandeelhouders deze intrekking eenparig hebben goeedgekeurd ;

c) het orgaan van de vennootschap dat over de gedwongen intrekking beslist , moet vaststellen op welke voorwaarden en op welke wijze zulks moet geschieden , voor zover zulks niet is geregeld in de statuten of de oprichtingsakte ;

d) artikel 32 is van toepassing , tenzij het gaat om volgestorte aandelen die om niet ter beschikking van de vennootschap zijn gesteld , of worden ingetrokken met behulp van de bedragen die overeenkomstig artikel 15 , lid 1 , kunnen worden uitgekeerd ; in die gevallen moet een bedrag dat gelijk is aan de nominale waarde of , bij gebreke hiervan , aan de fractiewaarde van alle ingetrokken aandelen worden opgenomen in een reserve . Behalve in geval van vermindering van het geplaatste kapitaal , mag deze reserve niet worden uitgekeerd aan aandeelhouders ; zij mag slechts worden gebruikt om verliezen aan te zuiveren of het geplaatste kapitaal te verhogen door omzetting van reserves in aandelenkapitaal , voor zover de wetten van de Lid-Staten zulks toestaan ;

e) het besluit over de gedwongen intrekking wordt openbaar gemaakt op de in de wetgeving van elke Lid-Staat voorgeschreven wijze overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 68/151/EEG .

2. Artikel 30 , lid 1 , en de artikelen 31 , 33 en 40 zijn niet van toepassing in de gevallen van lid 1 .

Vorige artikelen

Volgende artikelen