Art. 36 Verordening (EEG) nr. 574/72
Aanvragen om ouderdomsuitkeringen en uitkeringen aan nagelaten betrekkingen (met uitzondering van uitkeringen voor wezen) alsmede om invaliditeitsuitkeringen in de gevallen waarin artikel 35 van de toepassingsverordening niet voorziet
1. Om in aanmerking te komen voor uitkeringen krachtens de artikelen 40 tot en met 51 van de verordening, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 35 van de toepassingsverordening, is de aanvrager verplicht een aanvraag tot het orgaan van de woonplaats te richten, volgens de voorschriften van de door dat orgaan toegepaste wettelijke regeling. Indien de werknemer of zelfstandige niet aan deze wettelijke regeling onderworpen is geweest, zendt het orgaan van de woonplaats de aanvraag door aan het orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan hij laatstelijk onderworpen is geweest, zulks onder opgave van de datum waarop de aanvraag werd ingediend. Deze datum wordt beschouwd als de datum waarop de aanvraag bij laatstgenoemd orgaan werd ingediend.
2. Wanneer de aanvrager woont op het grondgebied van een Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of zelfstandige niet onderworpen is geweest, kan hij zijn aanvraag richten tot het orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of zelfstandige laatstelijk onderworpen is geweest.
3. Wanneer de aanvrager woont op het grondgebied van een Staat die geen Lid-Staat is, is hij verplicht zijn aanvraag te richten tot het bevoegde orgaan van de Lid-Staat aan de wettelijke regeling waarvan de werknemer of zelfstandige laatstelijk onderworpen is geweest.
Indien de aanvrager zijn aanvraag richt tot het orgaan van de Lid-Staat waarvan hij onderdaan is, zendt dit orgaan de aanvraag door naar het bevoegde orgaan.
4. Een aanvraag om uitkeringen die aan het orgaan van een Lid-Staat wordt gericht heeft automatisch tot gevolg dat de uitkeringen krachtens de wettelijke regeling van alle betrokken Lid-Staten aan de voorwaarden waarvan de aanvrager voldoet, gelijktijdig worden vastgesteld, behalve wanneer de aanvrager overeenkomstig artikel 44, lid 2, van de verordening wenst dat de vaststelling van de ouderdomsuitkeringen die krachtens de wettelijke regeling van één of meer Lid-Staten zouden zijn verkregen, wordt uitgesteld.