Art. 31 Verordening (EEG) nr. 574/72, Verstrekkingen aan pensioen- of rentetrekkers en aan hun gezinsleden ingeval de verblijfplaats in een andere Lid-Staat ligt dan de Staat waar zij hun woonplaats hebben

Verordening (EEG) nr. 574/72

1. Om in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 31 van de verordening is de pensioen- of rentetrekker verplicht aan het orgaan van de verblijfplaats een verklaring over te leggen waarin wordt bevestigd dat hij recht op genoemde verstrekkingen heeft. In deze verklaring, die het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker zo mogelijk uitreikt vóór het verlaten van het grondgebied van de Lid-Staat waar hij woont, wordt in voorkomend geval met name de maximumduur vermeld waarover de verstrekkingen hem ten hoogste mogen worden toegekend overeenkomstig de wettelijke regeling van deze Lid-Staat. Indien de pensioen- of rentetrekker genoemde verklaring niet overlegt, verzoekt het orgaan van de verblijfplaats het orgaan van de woonplaats daarom.

2. Artikel 17, leden 6, 7 en 9, van de toepassingsverordening is van overeenkomstige toepassing. In dit geval wordt het orgaan van de woonplaats van de pensioen- of rentetrekker als bevoegd orgaan beschouwd.

3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing voor de toekenning van verstrekkingen aan de in artikel 31 van de verordening bedoelde gezinsleden.

Toepassing van artikel 35, lid 1, van de verordening