Art. 38 Verordening (EEG) nr. 574/72, Verklaring betreffende de gezinsleden die in aanmerking moeten worden genomen voor de vaststelling van het bedrag van de uitkering

Verordening (EEG) nr. 574/72

1. Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 39, lid 4, of van artikel 47, lid 3, van de verordening, is de aanvrager verplicht een verklaring over te leggen betreffende zijn gezinsleden, met uitzondering van zijn kinderen, die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die waar zich het orgaan bevindt dat de uitkering moet vaststellen.

Deze verklaring wordt afgegeven door het orgaan van de ziekteverzekering van de woonplaats van de gezinsleden of door een ander orgaan dat wordt aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan zij hun woonplaats hebben. Artikel 25, lid 2, tweede en derde alinea, van de toepassingsverordening is van overeenkomstige toepassing.

In plaats van de in de eerste alinea voorgeschreven verklaring kan het met de vaststelling van de uitkeringen belaste orgaan van de aanvrager recente stukken van de burgerlijke stand verlangen omtrent zijn gezinsleden, met uitzondering van zijn kinderen, die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die waar zich genoemd orgaan bevindt.

2. Indien in het in lid 1 bedoelde geval de wettelijke regeling die door het betrokken orgaan wordt toegepast, eist dat de gezinsleden bij de pensioen- of rentetrekker inwonen, dient het bewijs dat het onderhoud van deze gezinsleden, wanneer zij niet aan deze voorwaarde voldoen, niettemin hoofdzakelijk ten laste van de aanvrager komt, te worden geleverd door middel van stukken, waaruit de regelmatige overmaking van een deel van de verdiensten blijkt.

Artikel 39 (11)

Behandeling van aanvragen om invaliditeitsuitkeringen wanneer de werknemer of zelfstandige uitsluitend aan in bijlage IV, deel A, van de verordening vermelde wettelijke regelingen onderworpen is geweest

1. Indien de werknemer of zelfstandige een aanvraag om invaliditeitsuitkeringen heeft ingediend en indien het orgaan vaststelt dat artikel 37, lid 1, van de verordening van toepassing is, wendt het zich, zo nodig, tot het orgaan waarbij de belanghebbende laatstelijk aangesloten is geweest, ter verkrijging van een verklaring, waarin de door hem krachtens de door dit laatste orgaan toegepaste wettelijke regeling vervulde tijdvakken van verzekering worden vermeld.

2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing, indien het nodig is met de vroeger onder de wettelijke regeling van enige andere Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering rekening te houden om aan de in de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen.

3. In het in artikel 39, lid 3, van de verordening bedoelde geval, zendt het orgaan dat het dossier van de belanghebbende heeft behandeld, dit dossier toe aan het orgaan waarbij hij laatstelijk aangesloten is geweest.

4. De artikelen 41 tot en met 50 van de toepassingsverordening zijn niet van toepassing op de behandeling van de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde aanvragen.