ABRvS 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5035
Bij besluit van 22 januari 2014, gehandhaafd bij besluit van 21 september 2017, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [wederpartij] ingetrokken. [wederpartij] verblijft sinds 21 januari 1999 in Nederland. In september 2006 heeft hij het Nederlanderschap verkregen. In januari 2014 heeft de staatssecretaris het Nederlanderschap van [wederpartij] ingetrokken op grond van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Volgens de staatssecretaris heeft [wederpartij] in de toelatings- en naturalisatieprocedure gezwegen over zijn rol bij de gebeurtenissen in Rwanda voorafgaand aan en tijdens de genocide in 1994, terwijl hij wist of in ieder geval redelijkerwijs kon vermoeden dat die informatie relevant was voor het verzoek om verlening van het Nederlanderschap. De staatssecretaris brengt [wederpartij] in verband met het aansturen en faciliteren van Hutu-milities en het voorbereiden van aanvallen op en het doden van en opdracht geven tot het doden van personen van Tutsi afkomst. De staatssecretaris heeft dit gebaseerd op informatie uit een artikel 1F-onderzoek van de unit 1F van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 13 mei 2013.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5036
- ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267
- ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1360
- ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:115
- Rb. Oost-Brabant 14 februari 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:838
- ABRvS 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131
- ABRvS 29 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2171