ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1360

Bij besluit van 11 mei 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [wederpartij] ingetrokken. [wederpartij] verblijft sinds 30 juli 1999 in Nederland. Op 16 januari 2006 heeft zij een verzoek om verlening van het Nederlanderschap (hierna: het verzoek) ingediend. Het verzoek is ingewilligd bij Koninklijk Besluit van 18 mei 2006. De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap van [wederpartij] krachtens artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap ingetrokken, omdat zij in de toelatings- en naturalisatieprocedure heeft gezwegen over haar rol bij de gebeurtenissen in Rwanda voorafgaand aan en tijdens de genocide in 1994, terwijl zij wist of in ieder geval redelijkerwijs kon vermoeden dat die informatie relevant was voor het verzoek om verlening van het Nederlanderschap. Onder verwijzing naar het individueel ambtsbericht en de aanvulling brengt de staatssecretaris [wederpartij] in verband met het faciliteren van genocide.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken