ABRvS 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2314
Bij besluit van 25 augustus 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd wegens het in gebruik geven van woonruimte aan een persoon zonder dat deze beschikt over de benodigde huisvestingsvergunning. Inspecteurs van de Haagse Pandbrigade hebben de woning aan de [locatie] onderzocht. Daarvan is een ambtsedig rapport opgemaakt (hierna: het rapport). Daarin staat dat de inspecteurs de woning op 24 juni 2020 hebben bezocht. De bewoner van de woning (hierna: de huurder) was toen aanwezig en heeft een huurovereenkomst voor de woning laten zien, waarvan een van de inspecteurs foto’s heeft maakt. Er was op dat moment geen huisvestingsvergunning voor het adres van de woning aangevraagd of afgegeven. Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het college geconcludeerd dat de woning in strijd met artikel 8, tweede lid, van de Huisvestingwet 2014 zonder de benodigde huisvestingsvergunning bedrijfsmatig is verhuurd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067
- ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071
- ABRvS 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:579
- ABRvS 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2849
- HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733
- EHRM 7 juni 2012, ECLI:CE:ECHR:2012:0607JUD000483706
- HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938
- EHRM 2 juli 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:0702JUD003340296
- EHRM 23 september 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0923JUD002781295