ABRvS 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2518
Bij besluit van 6 januari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [verzoeker] om naturalisatie afgewezen. [verzoeker] heeft van 5 november 2015 tot 5 november 2020 een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar partner gehad. Zij heeft voor het verstrijken van de geldigheidsduur van die vergunning geen verlenging daarvan aangevraagd. Bij besluit van 24 maart 2021 heeft de staatssecretaris de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning voor de duur van één jaar verlengd met als ingangsdatum 13 januari 2021. Bij besluit van 13 oktober 2021 heeft de staatssecretaris de geldigheidsduur daarvan gewijzigd naar 13 januari 2021 tot 13 januari 2026. Hierdoor is een zogenoemd verblijfsgat ontstaan van ruim twee maanden. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat ten tijde van het besluit daarop geen sprake was van onafgebroken vijf jaar toelating in het Koninkrijk. [verzoeker] beschikte in de periode van 5 november 2020 tot 13 januari 2021 immers niet over een geldige verblijfsvergunning, aldus de staatssecretaris.
De uitspraak op rechtspraak.nl