ABRvS 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2571
Bij besluit van 1 november 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [appellant] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. De staatssecretaris heeft [appellant] het Nederlanderschap geweigerd omdat zij niet ten minste vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan haar verzoek toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk der Nederlanden heeft gehad, als bedoeld in artikel 8, aanhef en eerste lid, onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. [appellant] is met ingang van 12 oktober 2013 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid', met een geldigheidsduur tot 12 oktober 2018. Deze verblijfsvergunning is bij besluit van 1 oktober 2014 met terugwerkende kracht ingetrokken per 31 maart 2014. Met ingang van 2 oktober 2014 is [appellant] in het bezit gesteld van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
De uitspraak op rechtspraak.nl